Beroepsprofiel van de eerstelijns forensisch geneeskundige.

September 2000


Inhoudsopgave

1.1. Algemene inleiding
1.2. Het beroepsprofiel: toelichting
2.    Beroepstaken
2.1. Taakveld lijkschouwing in het kader van de WLb
2.2. Medisch deskundige adviestaak voor; politie / justitie
2.3  Taakveld medische zorgverlening
2.4. Taakveld met betrekking tot zorgvuldigheid en informatiebeheer
2.5. Taakveld met betrekking tot de beroepsuitoefening

1.1. Algemene inleiding

Een forensisch geneeskundige is een arts die werkzaam is op het terrein van medisch onderzoek en advisering ten dienste van (straf)rechtspleging en -handhaving aan overheid, politie en justitie. De deskundigheid die hiervoor nodig is, wordt opgebouwd door na het artsexamen een opleiding te volgen en forensische geneeskundige werkzaamheden te verrichten. Tevens houdt de arts zich deskundig op dit terrein door voldoende gerichte bij- en nascholing.

Er bestaat een overduidelijke maatschappelijke behoefte aan artsen die zich inzetten voor of beschikbaar stellen ten dienste van forensische vraagstukken. De behoefte bestaat reeds lang bij de overheid, blijkend uit de Wet op de Lijkbezorging (WLb, 1994) en de Politiewet (1993). Tevens biedt de Wet op de Uitoefening Geneeskunst (1865), welke inmiddels is opgevolgd door de Wet Beroepen Individuele Gezondheidszorg (BIG, 1993) een kader voor de forensische geneeskunde. Ook blijkt het belang uit voortdurende discussies binnen de beroepsgroep van artsen (KNMG) en over de positie van de behandelend artsen ten opzichte van justitiële procedures en rechtspraak. De KNMG ontwikkelde in dit kader gedragsregels op het terrein van beroepsgeheim en handelwijzen voor artsen.( Zie voetnoot 1)

In de praktijk blijkt er echter steeds weer onduidelijkheid te bestaan over wat men in de maatschappij van forensisch geneeskundigen kan en mag verwachten. Dat geldt niet alleen voor de respectievelijke opdrachtgevers op het terrein van Volksgezondheid, Binnenlandse Zaken en Justitie. Ook geldt dit voor werkgevers (veelal Gezondheidsdiensten), die gevraagd worden (hun) personeel in een 24 - uurs dienst paraat te houden en hen garanties bieden voor het benodigde deskundigheids- en organisatieniveau.

Ook forensisch geneeskundigen zelf komen regelmatig voor vraagstukken te staan, waarbij zij zich afvragen wat van hen verwacht mag worden en hoe zij dienen op te treden in een juridisch of justitieel kader.

Het Forensisch Medisch Genootschap (FMG) heeft, als wetenschappelijke vereniging erkend door het College voor Sociale Geneeskunde,( Zie voetnoot 2) geconstateerd dat een fundamentele bijdrage in de vorm van een beroepsprofiel nodig is om helderheid te verschaffen in de verwachtingen die gesteld worden aan het werk van de eerstelijns forensisch geneeskundige. ( Zie voetnoot 3)

In de praktijk is een f.g. een arts die in lokaal of regionaal verband diensten verricht in nauwe samenwerking met de politie en justitie. Dit ter onderscheid van het werk van de gerechtelijk pathologen, die de tweedelijns funktie uitoefenen en die het gerechtelijke medisch specialistische onderzoek doen zoals bij voorbeeld obductie in het Nederlands Forensisch Instituut.

Het profiel verschaft derhalve helderheid in taken en kan verder bijdragen in de ontwikkeling van funktie-eisen en het ontwikkelen van deskundigheidseisen.

In 1984 heeft de toenmalige Stichting voor Sociale Gezondheidszorg een opleiding forensische geneeskunde opgezet en na een fusie met de Netherlands School op Public Health (NSPH) wordt deze nu aldaar georganiseerd.

Er is echter behoefte aan een nieuw opleidingstraject, omdat praktische inzet niet alleen op basis van bevoegdheid, maar ook bekwaamheid in de praktijk stoelt.

Voor de beroepsgroep geeft het beroepsprofiel tevens de mogelijkheid om op systematische wijze de beroepsuitoefening te evalueren en kan tevens leiden tot standaardisering en protocollering. In brede zin kan worden ingespeeld op ontwikkelingen in een veranderende maatschappelijke omgeving. Daarmee is het beroepsprofiel geen statisch resultaat, maar een dynamisch (toets)middel voor beroepsuitoefening en -ontwikkeling.

Dit profiel is ontwikkeld op basis van raadpleging van reeds verschenen beroepsprofielen in de gezondheidszorg ( Zie voetnoot 4) en becommentarieerd door leden en bestuur van het FMG en leden van de Vakgroep forensische geneeskunde van GGD – Nederland ( Zie voetnoot 5) . Het profiel werd samengesteld onder verantwoordelijkheid van het bestuur door A.G.Tenhaeff en mevrouw B.W.Topman, forensisch geneeskundigen.

Op 5 november 1999 en 7 april 2000 werd het profiel voorgelegd aan de ledenvergadering van het FMG ter verdere validering en werd na een vervolgronde van diverse commentaren bijgesteld tot de huidige tekst.

1.2. Het beroepsprofiel: toelichting

In deze paragraaf wordt kort beschreven hoe het beroepsprofiel is opgezet. Het beroepsprofiel is een beschrijving wat de f.g. in de praktijk doet, dan wel verwacht wordt te doen. Voor verschillende taken is dit stapsgewijs beschreven in drie fasen.

De verschillende taken die de f.g. kan uitvoeren zijn in 5 taakvelden gegroepeerd te weten:

  1. taakveld lijkschouwer in het kader van de WLb (2.1)
  2. taakveld als medisch deskundig adviseur van politie en/of justitie (2.2)
  3. taken als medisch zorgverlener in het kader van de Politiewet en de vangnetfunktie inzake openbare gezondheidszorg (2.3)
  4. taken met betrekking tot zorgvuldigheid en informatiebeheer (2.4)
  5. taken ten aanzien van de beroepsuitoefening (2.5)

De beschrijving van taken wordt in de desbetreffende paragraaf voorafgegaan door een korte typering van het takkveld.

De drie fasen waarmee de werkzaamheden worden beschreven vanuit een algemene pragmatische benadering zijn:

  1. het inventariseren van de gestelde vraag of situatie en het verrichten van (forensisch) medisch onderzoek,
  2. vervolgens het verklaren en toewerken naar een conclusie
  3. met als laatste fase afsluitend een advies.

Alhoewel deze fase - systematiek vooral in de eerste en het derde taakveld wordt gebruikt, is zij in principe overal toepasbaar. Echter omwille van de leesbaarheid niet overal doorgevoerd.

Tevens zijn diverse taken niet altijd van toepassing of zou de toevoeging ‘eventueel’, op ‘verzoek’ of ‘zonodig’ tussengevoegd kunnen worden. Aangezien echter van de f.g. verwacht wordt dat deze alleen zinvolle taken uitvoert die zijn afgesproken met opdrachtgever en / of werkgever, zijn deze termen weggelaten.

2. Beroepstaken

2.1. Taakveld lijkschouwing in het kader van de WLb

Algemeen.

De f.g. doet in het kader van de Wet op de Lijkbezorging een lijkschouw. Deze gebeurt veelal in opdracht van politie / justitie, maar kan ook door de behandelende sector worden gevraagd. Ook mortuariumpersoneel kan een schouw melden. De f.g. verricht de lijkschouw als men niet overtuigd is van een natuurlijke dood, als een niet-natuurlijke dood wordt vermoed, of als er geen behandelend arts (beschikbaar) is.

De lijkschouw dient primair om de burgemeester te adviseren of een lichaam begraven, gecremeerd of ter beschikking van de wetenschap kan worden gesteld. Tevens wordt in het kader van de Gezondheidswet (1865) een doodsoorzaakverklaring afgegeven aangegeven. Omdat er bij de lijkschouw kan worden geconstateerd dat er sprake is van een niet-natuurlijke dood, is het Wetboek van Strafrecht van belang. Indien een iemand ten gevolge van mogelijke fouten bij behandeling is overleden, kan het Medisch Tuchtrecht van belang zijn.

Bij een niet-natuurlijk overlijden wordt pas na een gezamenlijk onderzoek van de gemeentelijk lijkschouwer en de politie (recherche) door de Officier van Justitie besloten of het lichaam kan worden worden vrijgegeven voor begraving. In een aantal situaties wordt of kan worden afgeweken van de bovenstaande procedure. Deze worden als bijzondere vormen van lijkschouw besproken onder onder 2.2 (euthanasie of hulp bij zelfdoding), 2.3 (lijkvinding), 2.4 (overlijden in verband met medische behandeling of verzorging) en 2.5 (orgaandonatie) besproken.

2.1.a. inventarisatie en onderzoek

2.1.b. taken t.a.v. de conclusie

2.1.c. taken t.a.v. advies

Bijzondere vormen van lijkschouw.

A. Euthanasie en hulp bij zelfdoding

Bij euthanasie en hulp bij zelfdoding heeft de f.g. een speciale opdracht binnen de meldingsprocedure ( Zie voetnoot 7) . In deze brochure is de werkwijze van de f.g. omschreven. De speciale rol houdt in dat de f.g. de Officier van Justitie informeert over eventueel onregelmatigheden bij euthanasie of hulp bij zelfdoding. De f.g. geeft geen oordeel over de mate van zorgvuldigheid waarmee de euthanasie is toegepast. Deze oordeelsvorming is de taak van de Regionale Toetsingscommissies. De f.g. treedt nooit op als consulterend (tweede onafhankelijk arts) bij een euthanasiegeval.

 B. Lijkvinding:

Van lijkvinding is sprake indien de plaats en / of de datum van overlijden niet met overtuiging vastgesteld kan worden. De gemeentelijk lijkschouwer verricht in aanwezigheid van de politie een reguliere schouw die kan resulteren in het constateren van een al dan niet natuurlijk overlijden. In de praktijk wordt door de politie van lijkvinding gesproken als het overlijden later dan na 24 uur wordt opgemerkt.

C. Overlijden in verband met medische behandeling of verzorging

Als iemand is overleden na of tijdens een medische ingreep of verzorging wordt de f.g. gewaarschuwd door de behandelend arts om te beoordelen of er sprake is van een natuurlijk of van een niet-natuurlijke dood. Als er lege artis is gehandeld, de ingreep of behandeling op goede indicatie heeft plaatsgevonden en als de behandeling is uitgevoerd door een daartoe bekwame en bevoegde arts kan de f.g. een verklaring van natuurlijk overlijden afgeven. Indien de f.g. niet overtuigd is van een natuurlijk overlijden wordt de ambenaar van de Burgerlijke Stand gewaarschuwd en de Officier van Justitie verslag gedaan. De f.g. kan tevens de Inspecteur voor de Gezondheidszorg inlichten, indien er zich vragen voordoen op het vlak van de kwaliteit van behandeling en / of verzorging.

De f.g.:

D. Orgaandonatie

De lijkschouwing bij orgaandonatie na een niet natuurlijk overlijden vindt gewoonlijk plaats nadat de te transplanteren organen zijn uitgenomen en alle ondersteunende apparatuur is uitgeschakeld. In de situatie waarin de transplantatiecoördinator reeds de Officier van Justitie heeft ingelicht en deze met de gevolgde werkwijze accoord is gegaan, wordt op reguliere wijze een schouw verricht onder vermelding van de wijze waarop de hersendood is vastgesteld en welke organen en weefsels zijn verwijderd.

De f.g. kan optreden als liaison met de Nederlandse Transplantatiestichting ten behoeve van het afstaan van organen conform de door de overledene aangegeven keuze op het donorcodicil..

2.2. Medisch deskundige adviestaak voor; politie / justitie

Bij de medische advisering kan sprake zijn van advies op basis van persoonlijk onderzoek door de forensisch geneeskundige. Ook kan een advies gaan over medische gegevens van onderzoek gepleegd door derden of in het algemeen.

Persoonlijk onderzoek kan tot doel hebben sporen te verzamelen en/of een advies te geven over een arrestant of een getuige.

Bij advisering in het algemeen kan het gaan om de interpretatie van bepaalde medische gegevens. Bij voorbeeld hoe bepaalde verschijnselen verklaard kunnen worden, welke effecten bepaalde stoffen, middelen of medicamenten kunnen geven, wat de behandeling van bepaalde aandoeningen is, wat de risico’s van bepaalde ziekten of bepaalde handelwijzen zijn. Ook interpretatie van letselbeschrijvingen behoort tot dit taakveld.

In het taakveld wordt pragmatisch onderscheid gebracht in vier situaties waarin advies kan worden gevraagd te weten: toepassing van dwangmiddelen (2.2.a), inzake verhoorsituaties (2.2.b) en inzake (sexueel) geweldsmisdrijf (2.2.c). Van andere orde is advies aan politie en justitie en derden in die situatie waar in het kader van de openbare gezondheidszorg medisch – hygiënische problemen om oplossingen vragen (2.2.d.).

2.2.a. taken inzake de toepassing van dwangmiddelen

2.2.b. taken inzake verhoorsituaties

2.2.c. taken inzake medisch advies betreffende (sexueel) geweldsmisdrijven

Op verzoek van betrokkene, diens advocaat, de politie of van justitie en met toestemming van betrokkene onderzoekt de forensisch geneeskundige een slachtoffer of dader van een gewelds- of zedendelict op sporen van geweld. Zo nodig wordt met schriftelijke toestemming van betrokkene informatie bij de behandelende sector hieromtrent opgevraagd. Van de bevindingen wordt een rapport opgemaakt dat of aan betrokkene of aan zijn advocaat ter hand wordt gesteld of, weer met toestemming van betrokkene aan politie of justitie wordt afgegeven. In het rapport worden in beginsel alleen objectief vastgestelde bevindingen opgenomen. Waar het gaat om subjectieve verschijnselen of mogelijkheden, waarschijnlijkheden, interpretaties of prognoses dient dit uitdrukkelijk te worden aangegeven.

2.3.c.1. eigen onderzoek van slachtoffers of daders

2.2.c.2. beoordeling van rapportages over onderzoek van slachtoffers of daders

2.2.d. taken inzake medisch advies over volksgezondheid en openbare orde & veiligheid

2.3. Taakveld medische zorgverlening

Medische zorg voor personen die op het bureau verblijven vormt op veel plaatsen in Nederland een vast onderdeel van het takenpakket van de f.g.
Ten aanzien van de zorgverlening zijn drie aspekten relevant:
  1. Er zijn verschillende cliëntengroepen met in de praktijk verschillende zorgvragen. De zgn.’arrestantenzorg’ omvat zorg voor arrestanten ( Zie voetnoot 9) (of aangehouden personen) en personen die worden verhoord. Diegenen die aangifte doen van een feit waarbij zij letsel hebben opgelopen betreft ‘slachtofferhulp’. Tenslotte zijn er in het kader van een ‘vangnetfunktie openbare gezondheidszorg’ personen die door de politie naar het bureau zijn gebracht omdat zij een potentieël gevaar voor zichzelf en / of de omgeving (lijken te) vormen en waarvoor vaak psychische hulp nodig is.
  2. het behandelen van personen die aan de zorg van politie op het politiebureau zijn toevertouwd beschouwt het FMG tot competentie van de f.g.omdat deze arts is. De f.g. die behandelt, zal in het kader van de wet BIG bevoegd en bekwaam moeten zijn om deze handelingen te mogen verrichten. Voor behandeling is tevens de toestemming van betrokkene nodig volgens de Wet Geneeskundige Behandelingsovereenkomst (WGBO, 1995).
  3. Verder zijn de mogelijkheden van behandeling ter plaatse van belang. In ieder geval dient iemands medische toestand beoordeeld te kunnen worden en zonodig een verwijzing naar reguliere hulpverlening plaats te vinden.

2.3.a. taken t.a.v. inventarisatie en onderzoek

2.3.b. taken t.a.v. conclusie

2.3.c. taken t.a.v. advies

2.4. Taakveld met betrekking tot zorgvuldigheid en informatiebeheer

Het zorgvuldig optreden met betrekking tot bovengenoemde taken en informatiebeheer geeft één van de belangrijkste rode draden aan in het werk van de f.g. Vanzelfsprekend maken zorgvuldigheid en kwaliteit onderdeel uit van alle werkvelden en iedere beroepsgroep. Maar de speciale rol van de arts die op het raakvlak van geneeskunst, gezondheidszorg en recht zijn taken vervult, staat per definitie open voor (juridische) toetsing.

Zo is niet vanzelfsprekend dat, wat vaak de praktijk is, een advies over insluiting wordt gecombineerd met een behandelingsvraag of andersom. Ditzelfde geldt voor het geven van zorg en het doen van onderzoek in en aan het lichaam in het kader van onderzoek. Het handelen kan daarmee op gespannen voet komen te staan in het kader van de WGBO.

Daar echter per definitie de f.g. zich voortdurend beweegt op het grensvlak geneeskunde en recht(spraak), gaat het FMG er van uit dat expliciete uitleg aan de cliënt en de politie leidt tot verduidelijking. Door de positie en rollen aan de orde te stellen wordt helderheid geschapen en bestaat de mogelijkheid c.q. de verplichting om een tweede arts in te schakelen. Dit stelt aan de arts de eisen om dubbelrollen die ontstaan, te herkennen en te kunnen hanteren.

Zo blijken zorgvuldigheid en kwaliteit ook de toetsingsinstrumenten te zijn voor zijn eigen handelen en dat van anderen. Informatiebeheer heeft niet alleen in fysieke zin voor de f.g. verplichtingen in het kader van de Wet persoonsregistraties (Wpr), maar ook in de zin van communicatie duidelijke relaties met zorgvuldigheid van handelen.

2.4.a. inzake ethiek

2.4.b. inzake gegevensverzameling, -beheer en –uitwisseling

2.5. Taakveld met betrekking tot de beroepsuitoefening

Dit taakveld omvat die aspekten van de beroepsuitoefening die te maken hebben met de eigen persoonlijke ontwikkeling en het kunnen uitoefenen van de gestelde taken. Tevens hangt de kwaliteit van de beroepsuitoefening sterk samen met de wetenschappelijke vorming en interesse.

Het adequaat toegerust zijn voor de uitoefening van het beroep is gerelateerd aan het niveau van kennis en vaardigheden, het kunnen beschouwen van het eigen funktioneren en daaraan effectieve acties koppelen ter verbetering.

Het bijdragen aan opleiding, het actief deelnemen in de eigen en andere beroepsorganisaties en het doen van wetenschappelijk onderzoek is niet alleen relevant voor de persoonlijke beroepsontwikkeling, maar tevens voor de forensisch geneeskundige beroepuitoefening.

2.5.a. taken inzake evaluatie van het beroepsmatig handelen

2.5.b. taken inzake onderwijs en onderzoek

2.5.c. taken inzake de ontwikkeling van het eigen beroep


Noot 1:Berkestijn vanThMG, e.a. Arts en aansprakelijkheid. Bunge. Utrecht, 1993.
Noot 2:Elders wordt in dit stuk daarom ook wel naar het FMG verwezen als ‘ beroepsgroep’.
Noot 3:Verder in dit stuk kortheidshalve te noemen f.g.
Noot 4:Zie bij voorbeeld: Jager de J. Van beroepsprofiel naar beroepsopleidingsprofiel. ILO. Enschede, 1989
Noot 5:Voorheen: Landelijke Vereniging van GGD – en.
Noot 6:Zoals:
• Cohen BAJ, Holtslag H, Leliefeld HJ & Tenhaeff AG. Forensische Geneeskunde. Van Gorcum, Assen. 1996.
• Modus. Tijdschrift voor recherche en forensische wetenschap. Uitg. VUGA.
Noot 7:Ministeries van Justitie en VWS (FDS 980180) in samenwerking met de LVGGD en het FMG. De taken van de gemeentelijke lijkschouwer binnen de meldingsprocedure euthanasie per 1 november 1998.
Noot 8:Waar in de tekst ‘hij’ of ‘hem staat, kan ook ‘zij’ of ‘haar’ gelezen worden.
Noot 9:Voor een omschrijving van arrestantenzorg en de verwachtingen ten aanzien van de medische zorgverlening: Blaauw E, Vegter P, Monterie R. Handboek Arrestantenzorg. Elsevier. ‘s-Gravenhage, 1999.