De forensisch geneeskundige kan in aanraking komen met allerlei sporen. Dit is mogelijk op verschillende momenten. Zo hoeft er van een vermoeden van een misdrijf nog geen sprake te zijn, maar evengoed kan er op last van (hogere) autoriteiten materiaal moeten worden afgenomen. Tot de verbeelding spreekt hierbij een bloedafname of afname van ander materiaal voor DNA-onderzoek.
Voor zover het sporen betreft ligt de nadruk op:
Het belang van sporen is groot, het risico op het vernietigen van
sporen echter evenzeer. Het terughoudend optreden op de PD is dan ook
van groot belang om eventuele sporen niet verloren te laten gaan of te
vernietigen. Ongemerkt kan het handelen van de forensisch geneeskundige
of andere betrokkenen grote gevolgen hebben voor sporen en/of onderzoek.
Overigens gaat eventuele hulpverlening aan slachtoffers altijd voor!
Streef er dan wel naar om zo beperkt mogelijk de omgeving te veranderen
en aangebrachte veranderingen terstond te melden aan de mensen van de
technische recherche (TR). Verder moeten onderzoekingen met een ander
doel dan hulpverlening worden uitgesteld.
Het kan voorkomen dat een forensisch arts als eerste op de PD is,
hoewel in het algemeen de politie reeds ter plaatse is. Wacht in het
algemeen op de aankomst van de TR. Het sporenonderzoek wordt uitgevoerd
door de TR. Echter de forensisch geneeskundige heeft hierbij zeker een
toegevoegde waarde. Als er goede afspraken zijn zal er ook gezamenlijk
worden gewerkt. Als er nog geen betrokkenen aanwezig zijn, beperk
activiteiten dan tot afschermen en observeren van objecten en de PD.
Als er eventueel toch veranderingen zijn aangebracht, deel deze dan
terstond mee aan een onderzoekend politieambtenaar.
Probeer een eventueel looppad te markeren en loop bij voorkeur langs
een onlogische weg.
Indien er sprake is van één of meerdere lijk(en) op een
PD zullen aan lijken ook sporen aanwezig zijn. Hiervoor wordt verwezen
naar het protocol lijkschouw.
De forensisch geneeskundige kan het verzoek krijgen voor de afname van lichaamsmateriaal. Dit verzoek komt van politie of justitie. Bij de afname gaat het om bloed, urine, wangslijmvlies of haren. De afname zal plaats vinden in het kader van opsporingsonderzoek. Dit zal plaats vinden in het kader van overtredingen van de WegenVerkeersWet (WVW) of in het kader van onderzoek naar diverse delicten als gewelds- en zedenmisdrijven, maar ook bij inbraken, overvallen of verkeersdelicten. Afname dient op de vast voorgeschreven wijze te worden verricht.
Deze werkwijzen voor afnameprocedures liggen vast in de
Forensisch Technische normen (FT normen). Relevant bij de afname van
lichaammaterialen ten behoeve van vergelijkend DNA onderzoek zijn de
volgende normen: 250.01 (bloedafname) en 250.02 (wangslijmvliescellen
of uitgetrokken hoofdharen).
Op grond van bepalingen in de WegenVerkeersWet (WVW), De
ScheepvaartVerkeersWet en de Wet Luchtverkeer mag een bloedafname in
het kader van een bloedalcoholconcentratie bepaling slechts geschieden
door middel van een door een arts verrichte venapunctie. Indien een
venapunctie niet mogelijk is vanwege infusen of het niet mogelijk zijn
van een venapuntie vanwege het niet kunnen aanprikken dan dit
rapporteren aan de (H)OVJ.
Voor wettelijke achtergronden wordt verwezen naar de bijlagen 2,3, en 4.
De situatie kan zich voordoen, dat de Officier van Justitie verzoekt om bloed van een bewusteloos of overleden slachtoffer af te nemen. Bepaling mag pas plaats vinden na toestemming van de betrokkene of de nabestaanden van de bewusteloze/overledene tenzij het gaat om het vinden van sporen van een misdrijf.
Ten aanzien van bloedafname van een overledene is het van belang om te weten dat een overledene geen verdachte meer kan zijn. Afname staat dan uitsluitend ten doel om sporen van een misdrijf te vinden bedoeld als bewijsmiddel van een misdrijf. Een bloedafname bij een overledene is in feite een microsectie. Het verdient de voorkeur om bij een verzoek om bloedafname bij een overledene te vragen naar relevantie van de bloedafname. Als deze er is dan kan er beter geadviseerd worden om een volledige gerechtelijke sectie te laten verrichten.
Sinds 1 september 1994 is er een aanvulling op het wetboek
van strafvordering van kracht met voorzieningen ten behoeve van
DNA-onderzoeken in strafzaken (art. 138a, 151a en 195 a t/m e WvSv).
Indien de arts om bijzondere medische redenen van mening is dat afname
onwenselijk is, dan dient de opsporingsambtenaar dit onverwijld aan de
Rechter-Commissaris te melden. Deze kan dan vervolgens bevelen ander
celmateriaal in de vorm van wangslijmvlies of haren af te nemen.
Vergelijkend DNA-onderzoek kan slechts plaatsvinden na een
schriftelijke opdracht van de Rechter-Commissaris of Officier van
Justitie.
Overigens loopt momenteel een voorstel tot wetswijziging inzake DNA-onderzoek. Mocht dit op termijn worden geaccordeerd, betekent dit o.a.:
In het kader van zedenmisdrijven zullen ook sporenmateriaal en monsters moeten worden afgenomen bij slachtoffer en/of bij verdachten.
De technische uitvoering vindt plaats conform de richtlijnen met betrekking tot het gebruik van de zedenset voor de arts, welke is bijgevoegd in de zedenset.
Weigeraars
Indien er een bevel wordt gegeven tot medewerking aan een afname van bloed, wangslijmvlies of haren is een verdachte verplicht hier gehoor aan te geven. Weigering hiervan is een misdrijf. Strafrechtelijk is het mogelijk dat afname met hulp van de sterke arm plaats vindt. Vanuit het medisch tuchtrecht is het nog maar de vraag hoe dit handelen gehonoreerd zou worden. In deze zin is het sterk persoonlijk wat nog acceptabel is. Bedenk dat de forensisch geneeskundige een eigen medische verantwoordelijkheid houdt en geen verlengstuk is van politie en justitie.
Het onderzoek van en de rapportage over letsels bij slachtoffers van (vermeende) geweldsmisdrijven kan worden beschouwd als een bijzondere vorm van sporenonderzoek.
De term geweld heeft niet uitsluitend betrekking op fysiek geweld (mechanisch, chemisch, thermisch en/of biologisch), maar omvat in forensisch geneeskundige optiek ook psychische schade. Bij de term "mishandelen" dient men niet alleen te denken aan het (opzettelijk) toebrengen van schade maar ook aan het nalaten van handelen. Verder dient ook een indirect gevolg in de beschouwing te worden meegenomen. Zo kan bijvoorbeeld een kleine duw de reden van ernstig letsel (ongelukkige val) of een ongeval zijn.
De forensisch geneeskundige, die ten behoeve van het onderzoek naar letselschade werkzaam is, heeft ten aanzien van het slachtoffer een bijzondere positie. Hij/zij is geen hulpverlener, maar heeft een rol als deskundige in het onderzoek naar waarheidsvinding. Hiervoor is een onafhankelijke positie een eerste vereiste. Dit houdt onder meer in, dat er geen band mag bestaan tussen arts en betrokkene en dat de arts beschikt over voldoende specifieke kennis om over het gevraagde te kunnen oordelen. De beoordelingen dienen argumentatief en toetsbaar te zijn. Ook dient er enige aandacht voor de emotionele kant van het gebeuren te zijn.
Met genoemde rapportage wordt een drietal doelen nagestreefd:
Indien het onderzoek direct aansluitend aan het letsel wordt gedaan, dient daartoe de dienstdoende forensisch geneeskundige te worden ingeschakeld. Hij/zij kan voor het onderzoek gebruik maken van de checklist in bijlage 1.
De uiteindelijke rapportage dient de volgende onderdelen te bevatten:
De beschrijving van de verwondingen dient in begrijpelijk Nederlands te geschieden en te berusten op feitelijkheden. Daar waar feitelijkheden overgaan in veronderstellingen dient dit duidelijk in de tekst te worden aangegeven, bijvoorbeeld door het gebruik van termen als "passend bij" en "overeenkomend met". Schriftelijke toestemming van betrokkene is in alle gevallen vereist.