HANDLEIDING LIJKSCHOUW



Opzet

De werkgroep Protocol Lijkschouw heeft zich ten doel gesteld alles wat met de lijkschouw verband houdt  en voor eerstelijns  forensisch geneeskundigen van belang is in een handleiding bijeen te brengen.  Hierin wordt – naast het protocol lijkschouw in engere zin  (onderzoek en verslaglegging) -  achtergrondinformatie gegeven de postmortale verschijnselen en hun pathofysiologie, het juridisch kader, de te volgen procedure en de administratieve afhandeling. Daarbij is gebruik gemaakt van reeds bestaande protocollen (van met name GGD Dordrecht, GGD West-Utrecht en de GGD Achterhoek), van de in 1999 uitgebrachte bundel Wettelijke Regelingen van de Vakgroep Forensische Geneeskunde, van het artikel “Standaardisatie van de lijkschouw, een eerste aanzet” van Van Ingen en Lulf in Modus (jan. 1998) en van het uitstekende en zeer verhelderende hoofdstuk Gerechtelijke Geneeskunde van Zeldenrust en Van de Voorde uit de Codex Medicus van 1981 (waarvan de opstellers van genoemde protocollen blijkbaar ook gebruik hebben gemaakt en dat helaas uit latere drukken van de Codex is verdwenen).  Voor dagelijks gebruik kan men zich beperken tot enkele onderdelen van deze handleiding.

Inhoud

  1. inleiding
  2. het wettelijke kader
  3. de begrippen natuurlijke dood en niet-natuurlijke dood
  4. postmortale verschijnselen
  5. onderzoek en verslaglegging
  6. administratieve afhandeling en stroomdiagram
  7. contactpersonen
  8. gerechtelijke geneeskunde (Dr. J. Zeldenrust uit Codex Medicus)

1. Inleiding

Eén van de belangrijkste taken van een forensisch arts is het verrichten van een lijkschouw. Op dit punt wordt een forensisch arts geacht een bijzondere deskundigheid te hebben. Daartoe is kennis van postmortale verschijnselen een eerste vereiste. Een systematisch onderzoek van het lijk en van de plaats waar het lijk is aangetroffen is evenzeer vereist om tot de juiste conclusie te komen. Zonder kennis van het juridisch kader is het moeilijk de juiste beslissing te nemen. Ook de administratieve afhandeling is gecompliceerd.
Deze handleiding beschrijft bovengenoemde gebieden en bevat een protocol in engere zin (onderzoek en verslaglegging) naast informatie die onontbeerlijk is om tot een juist oordeel te komen.

2. Wettelijk kader

De Wet op de Lijkbezorging (WLB) van 1991, regelt de gang van zaken rond het overlijden, begraven c.q. cremeren. De WLB vereist dat een lijk moet worden geschouwd en geïdentificeerd alvorens mag worden overgegaan tot een vorm van lijkbezorging (begraven, cremeren of ontleding).
De wet bevat een aantal bepalingen, die voor een lijkschouwer van belang zijn. De wet munt niet uit door helderheid en logica. Bovendien ontbreekt een definitie van het voor forensisch geneeskundigen wezenlijke begrip niet-natuurlijke dood. De  lijkvinding wordt in deze wet in het geheel niet geregeld (in art. 19 van het Burgerlijk Wetboek wordt aangege­ven wanneer er sprake is van een lijkvinding). Voorts worden enkele termen verwarrend gebruikt en/of niet nader omschreven.
In art. 2  WLB wordt omschreven wat onder een lijk (= het stoffe­lijk overschot van een overledene of doodgeborene) en een doodgeborene (= een doodgeboren vrucht van minimaal 24 weken) wordt verstaan. Bij deze twee definities hebben de ontwerpers van de wet het gelaten. Hieronder volgen in numerieke volgorde de voor forensisch genees­kundi­gen belangrijkste bepalingen met voor zover nodig een toelichting. Soms is de tekst letterlijk weergegeven (tussen aanhalingstekens), soms is alleen een korte samenvatting van de inhoud gegeven.  Artikelen die voor lijkschouwers minder relevant geacht worden, zijn weggelaten.

Art. 3: "Lijkschouwing geschiedt door de behan­de­lende geneeskun­dige of door een gemeentelijke lijkschouwer."

Het verrichten van een lijkschouw impliceert het afgeven van een overlijdensverklaring. Bij een niet-natuurlijke dood kan alleen een gemeentelijk lijkschouwer een 'officiële lijk­schouw' verrichten.
Een lijkschouw is niet hetzelfde als een onderzoek van een lijk. Een lijk kan door velen onder­zocht worden, maar in principe slechts 1 keer geschouwd worden.
In art. 6. wordt bepaald dat een lijkschouwer geen familiele­den en geen personen die hij de laatste twee jaar behandeld heeft mag schouwen. Net als een behandelend arts mag een lijkschou­wer geen bloed- en aanverwanten of zijn partner schouwen.

Art. 7. lid 1: "Hij die de schouwing heeft ver­richt geeft een verklaring van overlijden af, indien hij overtuigd is, dat de dood is ingetre­den ten gevolge van een natuurlijke oorzaak."

Met (verklaring van) 'overlijden' wordt kennelijk (een ver­klaring van) een natuur­lijke dood bedoeld.

Art. 7 lid 2: "Indien de behandelende geneeskun­dige meent niet tot afgifte van een verklaring van overlijden te kunnen over­gaan, deelt hij dit onver­wijld mede aan de gemeentelijke lijkschou­wer of een der gemeentelijke lijkschouwers."

Er kan sprake zijn van

  1. een niet-natuurlijke dood
  2. een onbekende doodsoorzaak
  3. twijfel aan een natuurlijke doodsoorzaak
  4. bloed- of aanverwantschap

In deze wet is niet geregeld of bij een lijkvinding de ge­meen­telijk lijkschouwer al of niet moet worden ingeschakeld.

Art. 10 lid 1: "Indien de gemeentelijk lijk­schou­wer meent niet tot afgifte van een verkla­ring van overlijden te kunnen overgaan, brengt hij onver­wijld verslag uit aan de officier van jus­titie...."

Bedoeld wordt niet, zoals de letterlijke tekst misschien doet vermoeden, dat als de gemeentelijk lijkschouwer niet zeker weet dat de betrokkene is overleden, hij verslag uit­brengt aan de offi­cier, maar bedoeld wordt dat de lijkschouwer, als hij - zoals het 'art.10-formu­lier' het formuleert - niet over­tuigd is van een natuur­lijke dood (het­geen iets anders is dan over­tuigd zijn van een niet-natuurlij­ke dood) een rapport opmaakt voor de officier. Ook bij twijfel aan de al of niet natuurlij­ke doods­oor­zaak wordt dus een 'verslag van een niet-natuurlij­ke dood' ingevuld.

Art. 11 bepaalt dat voor begraven of cremeren een verlof tot begraven of verbranding van de burgerlijke stand nodig is.

Dit verlof wordt afgegeven (art. 12) na overlegging van een verklaring van overlijden bij een natuurlijke dood of een verklaring van geen bezwaar van de Officier van Justitie bij een niet-natuur­lijke dood.

Art. 12a lid 1 bepaalt dat de arts die de A-verklaring heeft afgegeven ook het B-formulier voor het CBS moet invul­len. Het nogal cryptische lid 2 bepaalt dat als de Officier van Justi­tie een verklaring van geen bezwaar heeft afgegeven (dus bij een niet-natuurlijke dood) het B-formulier wordt ingevuld door een 'arts, aangewezen door de Officier van Justitie', dat kan waarschijnlijk ook de gerechtelijk patholoog zijn.

In lid 3 van art. 12a wordt met veel omhaal van woorden uit­eengezet dat er een B-formulier voor het CBS bestaat, dat ook rechtstreeks door de lijkschouwer naar het CBS gestuurd kan worden.

    Art. 14 lid 1: "Voor de toepassing van dit hoof­d­stuk worden als bevoegde officier van justitie en als bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand aangemerkt die van de plaats, waar be­tref­fende de overledene of doodge­borene ingevolge aangifte een akte in het register van overlijden is inge­schreven."

    lid 2: "Bij gebreke van een akte zijn bevoegd de officier van justitie en de ambtenaar van de burgerlijke stand van de plaats van begraving of verbran­ding."

Dit artikel bedoelt waarschijnlijk te zeggen dat de officier en de burgerlijke stand van de plaats waar het lijk gevonden is en waar het overlijden is aangegeven, bevoegd is. Vergelijk het veel duidelijker art. 76 lid 5.

Art. 16: "Begraving of verbranding geschiedt niet eerder dan 36 uren na het overlijden en uiter­lijk op de vijfde dag na die van het over­lijden."

Van deze termijnen kan worden afgeweken. Voor lijkbezorging binnen 36 uur is toestemming van de Officier van Justitie en van de burgemeester, die een arts dient te raadplegen, nodig . Voor lijkbezorging na vijf dagen is alleen toestemming van de burgemeester (weer na raadple­ging van een arts) voldoende.
Bij het vaststellen van de termijn van vijf dagen tellen zon- en feestdagen mee.

Art. 17: "Na een geneeskundige te hebben gehoord kan de burge­meester der gemeente, waar het lijk zich bevindt, voor de begraving of verbranding daarvan een andere termijn stellen. Begraving of verbranding binnen 36 uur na het overlijden staat hij echter niet toe dan in overeenstemming met de officier van justitie."

Over welke zaken en vragen een arts gehoord moet wor­den en welke arts gehoord moet worden, spreken wet, noch toelichting.

Art. 20: "Ingeval niemand maatregelen neemt tot lijkschouwing of lijkbe­zorging overeenkomstig de wet, waarschuwt degene, die het lijk onder zijn berusting heeft, de burgemeester en wel uiter­lijk op de derde dag na het overlijden."

    Art. 21: "Indien niemand voorziet in de lijk­schouwing en lijk­bezorging overeenkomstig de wet, draagt de burgemeester daarvoor zorg."

    Art. 22: "De kosten, verbonden aan de bezorging van lijken waarvoor de burgemeester zorg draagt, daaronder begrepen lijken die uit zee worden aangebracht, komen ten laste van de gemeente."

    Art. 29 lid 1: "Geen lijk wordt opgegraven dan  met toestemming van de recht­hebbende op het graf en voorts met vergunning van de burgemeester der gemeente, binnen welker gebied het begraven is, nadat deze de betrokken regionale inspecteur van de volksgezondheid heeft gehoord."

    lid 2: "Aan de vergunning verbindt de burgemees­ter de nodige voorschrif­ten betreffende genees­kundig toezicht alsmede vervoer en bestemming van het lijk."

    lid 3: "Een opgegraven lijk mag worden ver­brand met schrifte­lijk verlof van de officier van jus­titie van de plaats van opgraving," etc.

Opgraven van een lijk is wat anders dan ruimen van een graf.­ Uit wet noch toelichting blijkt wat het geneeskun­dig toezicht inhoudt en welke arts men op het oog he­eft.

Art. 30: "Artikel 29 is niet van toepassing bij een opgra­ving ingevolge een bevel van een ge­rechtelijke autoriteit met het oog op een straf­rechtelijk onderzoek."

Ontleding

Art. 67 lid 1: Een lijk kan in het belang van de wetenschap of het weten­schappelijk onderwijs worden ontleed.

Met ontleding wordt bedoeld  sectie voor anatomisch onder­wijs en niet obductie/sectie oftewel in de termen van de wet 'lijkope­ning' (geregeld in art. 72).
In beginsel dient de overledene zelf zijn lichaam 'ter be­schikking' te hebben gesteld. Ook de nabestaanden kunnen toestemming geven of 'degenen die de zorg voor het lijk op zich nemen'. Als niemand de zorg op zich neemt is de burge­meester (ex art. 21) verantwoordelijk;

Art. 68 lid 1: "Geen ontleding geschiedt zonder schriftelijk verlof van de burgemeester, afgege­ven uiterlijk op de derde dag na die van het overlij­den."
Art. 69: "Ontleding vangt niet eerder aan dan 36 uren na het overlijden."

Balseming

Art. 71 lid 1: "Een lijk wordt niet gebalsemd of aan enige andere conserve­rende bewerking onder­worpen."
lid 2: "Het verbod, vermeld in het eerste lid, is niet van toepassing, indien het lijk tot ontle­ding bestemd is of naar het buitenland wordt gezonden."

In uitzonderlijke gevallen kan de minister ontheffing verle­nen.

Sectie en transplantatie

Art. 72 lid 1: "Indien de overledene dit heeft toege­staan, kan zijn lijk aan sectie worden onderworpen of kunnen daaruit delen ten behoeve van transplantatie worden verwij­derd."

De overledene moet een verklaring in die zin hebben afgelegd. Lid 2 bepaalt dat bij gebreke van toestemming nabestaanden of erfgenamen of anders 'degenen die de zorg voor het lijk op zich nemen' toestemming kunnen geven. Het geven van toestem­ming voor sectie als er geen perso­nen zijn die bevoegd zijn toestemming te geven wordt door de burgemeester (die dan bevoegd is) vaak gedelegeerd aan de GG&GD. Belangrijk is dat vast staat dat de politie al het mogelijke heeft gedaan om nabestaanden te bereiken.

Art. 73 lid 1: geen toestemming is nodig als

a. de officier van justitie een sectie gelast;

b. "het belang van de volksgezondheid sectie vereist" of;

c. "de vaststelling van de oorzaak van een ongeval met een luchtvaartuig dit vereist".


Art. 75: Het vaststellen van de dood dient door een andere arts te geschieden dan degene die de sectie of het uitnemen van organen verricht.

Vervoer bij niet-natuurlijke dood

Art. 76 WLB,

lid 1: "Wanneer tekenen of aanduidin­gen van een niet-natuurlijke dood aanwezig zijn of wanneer in verband met andere omstandigheden een niet-natuurlijke dood niet uitgesloten geacht kan worden, mag het lijk niet worden vervoerd dan met verlof van de officier van justitie of een van zijn hulpoffi­cieren."

lid 2: "In zodanig geval mag ontleding, conser­vering, sectie of verwijdering van delen uit het lijk ten be­hoeve van transplantatie niet plaats­vinden, of, indien reeds aangevangen, niet wor­den voortgezet, dan met toestemming van de offi­cier van justitie."

lid 3: "Indien de officier van justitie een geval als bedoeld in het eerste lid aanwezig acht, kan hij uit­stel van de begraving of ver­branding van het lijk ge­lasten, of de verbran­ding verbieden. Zolang een zodani­ge maatregel van kracht is, wordt het lijk niet begra­ven of verbrand, onderscheidenlijk niet verbrand,  en geeft de ambtenaar van de burgerlijke stand daartoe geen verlof."

lid 4: "Indien de officier van justitie een geval als bedoeld in het eerste lid aanwezig acht kan hij ver­strooiing van de as af overbren­ging van de asbus als bedoeld in artikel 60, tweede lid, verbieden."

lid 5: Voor de toepassing van dit artikel wordt als be­voeg­de officier van justitie aangemerkt die van de plaats waar het lijk het eerst is aangetroffen.

Deze bepalingen van art. 76 zijn (bij wijze van uitzondering) zo duidelijk dat ze geen toelichting behoeven.

Art. 77: "Gedurende een gerechtelijk vooronder­zoek komen de bevoegdhe­den, die artikel 76 aan de officier van justitie toekent, mede toe aan de rechter-commissaris."

LIJKVINDING

Art. 19f, lid 2 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt:

"Indien een lijk is gevonden en de plaats of de dag van overlijden niet met voldoende nauwkeurigheid kan worden vastgesteld, wordt de akte van overlijden opge­maakt door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente waarin het lijk is gevonden of aan land ge­bracht".

Er is dus alleen sprake van een zgn. lijkvinding als de dag (en/of de plaats) van overlijden niet makkelijk ("met voldoen­de nauwkeurigheid") kan worden vastgesteld. Als een lijk enkele dagen na het overlijden gevonden wordt en als aan de hand van post, kranten, tv-gids of verklaringen van buren of familie makkelijk vastgesteld kan worden op welke dag het overlijden heeft plaatsgevonden is er geen sprake van een lijkvinding in de zin van art. 19 BW. Er is dan geen proces-verbaal van de politie nodig. Bij een natuurlijke dood kan de huisarts in zo'n geval zelf een overlijdensverklaring afgeven.
Als de overlijdensdatum niet eenvoudig kan worden vastgesteld moet de politie een onderzoek instellen en trachten de over­lijdensdatum te bepalen. Ook de huisarts kan de politie in­schakelen en een verklaring van (natuurlijk) overlijden afge­ven, waarbij de overlijdensdatum wordt opengelaten en wordt verwezen naar het proces-verbaal van de politie. Nergens wordt wettelijk bepaald dat bij een lijkvinding de gemeentelijk lijkschouwer de lijkschouwing moet verrichten, al zal dat in de praktijk gewoonlijk wel het geval zijn.

HET CONSTATEREN VAN DE DOOD

Dit onderwerp is niet in de WLB geregeld. Er moet onderscheid gemaakt worden tussen het constateren van de dood en het afgeven van een overlijdensverklaring.   Iedereen mag - in tegenstelling tot een bijna onuitroeibaar idee, dat vooral bij ambulancedien­sten en bij de politie ­leeft - de dood constate­ren, ook al zal men op het oordeel van sommigen niet vertrou­wen. Het is dus niet nodig dat een ambulance met (bijv.) een verkeersslachtoffer eerst langs een EH-post rijdt (zodat een arts de dood kan constateren) alvorens de overlede­ne naar een mortuarium te brengen.

LIJKSCHOUWING

Het afgeven van een overlijdensverklaring is voorbehouden aan artsen en gekoppeld aan het verrichten van de lijkschou­wing. Een lijkschouwing bestaat uit vijf onderdelen:

UITVOERINGSREGELINGEN WLB

Diverse regelingen betrekking hebbend op lijkbezorging zijn niet geregeld in de WLB maar in uitvoeringsvoorschriften, meestal via een Algemene Maatregel van Bestuur.
Voor gemeentelijk lijkschouwers zijn de meeste regelingen niet interessant, hieronder een selectie van bepalingen die wel relevant zijn en een paar die mogelijk interessant zijn.

BESLUIT OP DE LIJKBEZORGING

Art. 3 lid 1: "Een lijk wordt begraven in een kist."

Art. 3 lid 2: een ander omhulsel mag ook.

Art. 4: "een kist of omhulsel mag niet  ver­vaardigd zijn van kunststof­fen of metalen."

Art. 11 lid 1: "Het vervoer van een lijk naar het buitenland geschiedt ongehinderd, mits aanwezig is een laissez-passer,  afge­geven door de burgemeester van de gemeente waar de overledene in het register van overlijden is ingeschreven."

Art. 11 lid 3: Voor vervoer van een lijk binnen de Benelux is (onder een aantal voor de hand liggende voorwaarden) geen lais­sez-passer nodig.

Art. 18 t/m 25 handelen over overlijden op zee.

Art. 18 en 19: lijkbezorging geschiedt in het land waar de overledene thuishoort of volgens de wilsuiting van de overle­dene.

Art. 20: handelt over de bewaring

Art. 21: indien de overledene dat bepaald heeft is een 'zee­mansgraf' (36 uur na het overlijden) toegestaan. Bij gebreke van een wilsverklaring kunnen ook nabestaanden hiertoe beslui­ten.

Art. 22: Als de gezondheidstoestand aan boord dit vordert of als bewaring volgens art. 20 niet mogelijk is, kan de gezag­voerder besluiten het lijk overboord te zetten, "na overleg met een arts of bij gebreke van deze na overleg met leden van de bemanning".

Art. 23: "Indien het lijk overboord wordt gezet, wordt het in een stevig omhulsel verpakt en verzwaard met zodanig ge­wicht dat het zinken en onder water blijven van het lijk zijn gewaar­borgd."

Art. 24: "Wanneer tekenen en aanduidingen van een niet-natuur­lijke dood aanwezig zijn of wan­neer in verband met andere omstandigheden een niet-natuurlijke dood niet uitgeslo­ten geacht kan worden, wordt het lijk niet verplaatst dan nadat door de gezagvoerder een onderzoek is ingesteld."

N.B. De wet en het besluit vermelden niet hoe, waar en wanneer en onder welke voorwaarden het lijk van iemand die op zee is overleden geschouwd moet worden.

Art. 27. "Bij vermoeden van overlijden van een op een installa­tie verblijven­de persoon stelt dege­ne die op die installatie is belast met het verlenen van medische zorg, of bij diens ont­stentenis degene die met de leiding der werk­zaam­heden is belast, zich zo spoedig mogelijk met een arts in Neder­land in verbinding, tenein­de vast te kunnen stellen of betrokkene is over­leden."


Iemand die op een booreiland overlijdt kan kennelijk "telefo­nisch geschouwd" worden.

Art. 29. "Wanneer tekenen of aanduidingen van een niet-natuur­lijke dood aanwezig zijn of wan­neer in verband met andere omstandigheden een niet-natuurlijke dood niet uitgeslo­ten geacht kan worden, wordt het lijk niet verplaatst dan met toestemming van de officier van justitie te Amsterdam."


ART. 10 FORMULIER

BESLUIT van 19 november 1997 (Staatsblad 550) houdende vast­stelling van de formulieren als bedoeld in artikel 10 van de WLB betreffende het overlijden van een niet-natuurlijke oor­zaak, niet zijnde levens beëindiging zonder uitdrukkelijk verzoek.

Art. 1  handelt over het 'gewone' art. 10-formulier.

Art. 2  handelt over het nieuwe art. 10-formulier te gebruiken bij euthanasie en hulp bij zelfdoding. Nieuw is de verklaring van de lijkschouwer het verslag van de arts, de schriftelijke wilsverklaring, het verslag van de geconsulteerde arts en een copie van het art. 10-formulier te zullen toezenden aan de toetsingscommissie.

Art. 3 bepaalt dat het oude euthanasie-formulier wordt inge­trokken.

Art. 4 bepaalt dat art. 3 pas in werking treedt als er een nieuw formulier is voor levensbeëindiging zonder uitdrukkelijk verzoek.

Dit besluit is op 1 november 1998 in werking getreden met uitzondering van art. 3. Dus het oude euthanasie-art.10-formu­lier is nog niet ingetrokken en dient met name gebruikt te worden bij levensbeëindiging zonder verzoek.
Het model van het verslag, dat de arts die de euthanasie heeft verricht, moet invullen is opgesteld volgens een bijlage horend bij dit besluit (het zgn. 'modelverslag').
De instelling van de regionale toetsingscommissies is gere­geld in een uitvoeringsvoorschrift behorend bij de WLB (Rege­ling regionale toetsingscommissies euthanasie van de ministers van Justitie en VWS van 27 mei 1998, Stcrt.101).

Kernartikel is art. 9: (voorwaarden euthanasie)

De commissie komt tot het oordeel dat door de arts zorgvuldig is gehan­deld indien:

  1. er sprake was van een vrijwillig, weloverwo­gen en duurzaam verzoek,
  2. er sprake was van uitzichtloos en ondraaglijk lijden van de patiënt naar heersend medisch inzicht,
  3. de arts tenminste een andere, onafhankelijke arts heeft geraadpleegd, en
  4. de levensbeëindiging zorgvuldig is uitge­voerd.

Art. 8 lid 3 : De commissie kan bij de gemeente­lijk lijkschou­wer, de consulent of bij de be­trokken hulpverleners inlichtin­gen inwinnen, indien dit voor een goede beoordeling van het handelen van de arts noodzakelijk is.

HET B-FORMULIER

Aan het B-formulier voor het CBS 9 (art. 12a WLB) is ook nog een ministeriële regeling (Regeling doodsoorzaakverklaring) gewijd.

Art. 2 bepaalt dat de burgerlijke stand dit formulier voor de achtste van de eerstvolgende maand na de maand van ontvangst doorstuurt naar het CBS.

Art. 3 bepaalt dat op verzoek van de geneeskundig hoofdinspec­teur het formulier binnen een week doorgestuurd moet worden.

3. Natuurlijke dood en niet-natuurlijke dood

Van een natuurlijke dood kan worden gesproken bij een overlijden dat uitsluitend het gevolg is van spontane ziekte of ouderdom.
Een doodsoorzaak is niet natuurlijk als er sprake is van een ongeval of geweld (zowel chemisch of biologisch,  als fysisch), schuld of opzet van derden, dan wel zelfdoding. Ook medische of verpleegkundige fouten kunnen oorzaak zijn van een niet-natuurlijke dood. De volgende categorieën zijn te onderscheiden:

4.Postmortale veranderingen

Postmortale veranderingen beginnen op het moment van overlijden. Ze manifesteren zich op verschillende tijdstippen. Men moet zeer voorzichtig zijn met uitspraken over het tijdstip van overlijden. Exacte uitspraken zijn niet mogelijk, zeker niet op basis van geïsoleerde verschijnselen. Uitspraken die wel mogelijk zijn op grond van de postmortale veranderingen dienen veeleer ter ondersteuning van de overige bevindingen (o.a. bevindingen van de politie).

I.  Zeer vroege postmortale veranderingen

Dit zijn postmortale veranderingen die zich binnen enkele minuten na het intreden van de dood kunnen manifesteren tengevolge van circulatiestilstand, ademhalingsstilstand en uitval van hersen- en zenuwfunctie.

NB.: Een grote flexibiliteit van het lijk kan misleidend zijn, waardoor de indruk wordt gewekt, dat er een botbreuk is zonder dat dit in werkelijkheid het geval is.

II. Vroege postmortale veranderingen

Deze veranderingen beginnen binnen enkele uren (en in uitzonderlijke gevallen al direct !)  na het intreden van de dood.

  1. Lijkvlekken (livores);
  2. Lijkstijfheid (rigor mortis);
  3. Afkoeling (algor mortis);
  4. Indroging.

Ad a. Lijkvlekken (livores)
Ontstaanswijze: Bij het intreden van de dood wordt de bloeddruk nihil. Het bloed in de bloedvaten is dan alleen nog onderhevig aan de zwaartekracht.
Lokalisatie: De laagstgelegen lichaamsdelen. Bij rugligging naar de rugzijde van het lichaam, bij zijligging naar de flank etc. Drukplekken blijven veelal bleek (rugligging: de gedeelten ter hoogte van de schouderbladen, de billen en de kuiten; buikligging: de ribbenbogen, knieschijven). Ook strakke kleding kan plaatselijk blanke drukplekken veroorzaken.

- Tijdstip van ontstaan:
Ontstaan: 1,5 tot 2 uur PM (variatie 1 tot 4 uur);
Volledig:  6 tot 12 uur PM (variatie 1 tot 14 uur);
Omkeerbaar : volledig tot 4 uur PM (variatie 1,5 tot 6 uur) onvolledig 4 tot 10 uur PM;
Wegdrukbaar: volledig tot 8 uur PM (variatie 3 tot 12 uur) onvolledig 8 tot 12 uur PM (variatie 6 tot 15 uur).

- Kleur
In het algemeen paarsrood (vooral bij asfyxie).
Rozerood bij CO-intoxicatie (en bij cyanide-vergiftiging);
Grauwbruin bij nitraat- of chloraatintoxicatie
Bleek bij fors bloedverlies.
NB. De kleur kan opmerkelijk rood zijn bij vrieskoude en bij het liggen in koelruimten.

Ad b. Lijkstijfheid (rigor mortis)
- Ontstaanswijze:
Na tonusverlies treedt verstijving op van de spieren ten gevolge van het verlies van ATP. Dit gebeurt geleidelijk en aanvankelijk zijn spiergroepen nog te prikkelen.

- Tijdstip van ontstaan:
Begin:        1 tot 3 uur na overlijden (variatie 0-7 uur; o.a. afhankelijk van tonus, temperatuur en belasting van het lichaam kort voor overlijden.
Voltooiing:    na gemiddeld 8 uur (6- 10 uur)
Handhaving:    2 tot 3,5 dagen (0,5 tot 4 dagen)
Verdwijning:    na 2 tot 3 dagen (1 tot 8 dagen)
Beïnvloeding:    door temperatuur, musculatuur, uitputting, wijze van sterven.

De gegevens omtrent de tijdstippen van ontstaan, voltooiing en verdwijnen verschillen in diverse leerboeken.
De rigor begint in kleinere spiergroepen/gewrichten en van perifeer naar centraal. Ze verdwijnen in de zelfde volgorde.

Het verschijnsel treedt traag op bij koude, snel bij  atletische en getrainde personen en nauwelijks na het overlijden van utgeputte personen.
Gehele of gedeeltelijke katalepsie ( direct intredende rigor, de periode met verslapping ontbreekt dan)  kan voorkomen bij verdrinking en bij  suïcide met een wapen.
Bij grand mal insulten en strychninevergiftiging kan er sprake zijn van extreme lijkstijfheid;
Bij kunstmatig opheffen van de rigor tijdens de periode van ontstaan kan de rigor terugkomen. Bij kunstmatige opheffing na voltooiing van de rigor zal deze niet meer terugkomen.

Ad c: Afkoeling van het lichaam (algor mortis)
Na het intreden van de dood zal het lichaam geleidelijk de temperatuur van de omgeving aannemen. In de praktijk dient er rekening te worden gehouden met een groot aantal variabelen:
lichaamstemperatuur bij overlijden (vaak onbekend) en omgevingstemperatuur
lichaamsbouw ( warmteafgifte langzamer bij adipositas of uitgebreid oedeem)
lichaamsoppervlak (kinderen koelen sneller af; houding, ineengedoken of languit)
(mate van) kleding, hoeveelheid dekens e.d.
tocht, vochtigheid, nattigheid, ondergrond (steen, hout, tapijt, matras)

De eerste uren (ca 1 tot 3 á 5 uur) na het overlijden daalt de rectale lichaamstemperatuur niet. De rectale temperatuur kan zelfs de eerste uren iets stijgen, waarna de praemortale temperatuur na 3 à 4 uur weer is bereikt. Lijkvlekken en lijkstijfheid kunnen in deze fase een bijdrage leveren aan de benadering van het tijdstip van overlijden. Vervolgens gaat de rectale temperatuur dalen, waarna deze na ca 24 uur de omgevingstemperatuur benadert. In zijn algemeenheid kan als vuistregel worden gesteld dat het lichaam bij een omgevingstemperatuur van 15 tot 20 graden globaal een halve graad C per uur daalt en bij een temperatuur van 0 tot 15 graden ongeveer 1 C per uur. Vervolgens nadert de rectale temperatuur langzaam de omgevingstemperatuur. Deze periode kan 60 - 70 uur duren, maar is zeer variabel.
Na 24 uur hebben rectale metingen voor het bepalen van het tijdstip waarop de dood is ingetreden nauwelijks zin. Wel kan het zin hebben in de periode binnen 24 uur meerdere metingen te verrichten, rekening houdend met de vele variabele factoren. Met behulp van het zgn. nomogram van Henssgen (waarin de belangrijkste variabelen zijn opgenomen) kan een vrij betrouwbare schatting van het tijdstip van overlijden worden gegeven.

NB.:


Ad d: indroging
Ten gevolge van indroging treedt troebeling van het hoornvlies op, dit kan zeer snel optreden, soms met een bruine verkleuring. De zgn. Sommerse vlekken berusten op verkleuring van de sclera ter hoogte van de geopende lidspleet.
Lichaamsdelen, met name de uiteinden, kunnen zeer snel indrogen.

III. Latere postmortale veranderingen

Deze veranderingen beginnen in feite ook al snel, maar ze manifesteren zich meestal later dan II.

  1. Ontbinding (Iysis) en rotting (epidermolyse is het loslaten van de opperhuid) ;
  2. Indroging (mummificatie);
  3. Adipocire (lijkwasvorming);
  4. Maceratie.

Ontbinding en rotting
Ontbinding en rotting zijn het gevolg van uit- en inwendige factoren en staan sterk onder invloed van temperatuur- en vochtigheidscondities. Ze zijn vooral het gevolg van chemisch-enzymatische en microbiologische activiteit.
De snelheid en mate van ontbinding en rotting nemen toe door hogere temperaturen (zomer; brandende kachels) en verlopen in het algemeen sneller in de vrije lucht dan bij 'waterlijken' afhankelijk van de hoeveelheid zuurstof. Indien de staat van ontbinding en gasvorming veel sneller is ontstaan en sterker is uitgesproken dan door uitwendige omstandigheden kan worden verklaard, dient de mogelijkheid van gasgangreen of andere septische processen als doodsoorzaak te worden overwogen. Ontbinding gaat langzamer bij het gebruik van antibiotica en bij diverse vergiftigingen.

NB.: Op plaatsen waar het colon dicht onder de buikwand ligt (bij de liezen en onder de rechter ribbenboog) kunnen gedurende de eerste dagen na het intreden van de dood blauwgroene en groenrode verkleuringen ontstaan: ontbindingsverschijnselen. Hierbij is verwarring mogelijk met intravitaal opgelopen haematomen.

Mummificatie
In gevallen waarbij het lijk is blootgesteld aan droge warme lucht c.q. luchtstroom kunnen de normale biologische processen zodanig geremd worden dat snelle indroging de weke delen verhardt en conserveert.

Adipocire
Adipocire is een proces waarbij het lichaamsvet verandert in een wasachtige, vaste, deels wat brokkelige geelwitte massa (verzeping van het vet). Dit proces vindt vooral plaats onder omstandigheden waarbij het milieu vochtig is, met name bij waterlijken en begraving in vochtige grond.

Maceratie
Maceratie is intra-uterine postmortale verandering welke de foetus ondergaat na intra-uterine vruchtdood.

5.De lijkschouw:  onderzoek en verslaglegging

In die gevallen waarbij de oorzaak van het overlijden als niet-natuurlijk aangemerkt wordt, de behandelend arts twijfelt over de aard van de doodsoorzaak of de behandelend arts niet voorhanden is, wordt de gemeentelijk lijkschouwer gevraagd de lijkschouw te verrichten. De gemeentelijk lijkschouwer mag de lijkschouw verrichten, wanneer vast staat dat hij de laatste twee jaar geen 'genees-, heel- of verloskundige raad of bijstand' heeft verleend aan de overledene of de moeder van het doodgeboren kind. Daarnaast mag er tussen deze en de lijkschouwer geen bloed- en of aanverwantschap tot in de derde graad of een huwelijk bestaan.

Het vaststellen van de dood

Het vaststellen van de dood is geen taak van de lijkschouwer. Alleen indien het vaststellen van de dood onmiddellijk gevolgd kan worden door de eigenlijke lijkschouw, kan de lijkschouwer hiervoor ingeschakeld worden. Voorts kan de gemeentelijk lijkschouwer soms behulpzaam zijn bij het vaststellen van de identiteit van de overledene door een lichaamsbeschrijving en beschrijving van specifieke kenmerken zoals littekens, tatoeages e.d. op te stellen. Identificatie is overigens de verantwoordelijkheid van de politie.
Soms is twijfel mogelijk of de dood is ingetreden. De pupillen zijn dan nog rond en niet vervormbaar. Het vaststellen van de dood blijkt in de praktijk veelal zonder (grote) problemen mogelijk. In een aantal gevallen kunnen problemen rijzen, met name in die gevallen waarbij sprake is van een zogenoemde schijndood.
Met deze mogelijkheid moet rekening worden gehouden bij gevallen van elektrocutie, verdrinking, afkoeling (hypothermie), geweldsinwerking op de hals (bijv. wurging), zeer ernstige traumatische shock en bij vergiftiging door alcohol, slaapmiddelen en andere stoffen die een deprimerende werking hebben op het centrale zenuwstelsel (barbituraten, narcotica, drugs e.d.).

Hersendood

Het vaststellen van de dood bij iemand die (nog) beademd wordt (i.v.m. orgaantransplantatie), is een zaak voor een neuroloog. De schouwarts dient wel na te gaan op welke wijze de hersendood is vastgesteld. De criteria voor hersendood zijn: het niet reageren op pijnprikkels, het niet kunnen opwekken van hersenstam reflexen, geen spontane ademhaling na voorbeademing met zuiver zuurstof (apnoe-test), geen nystagmus nadat warm water in de gehoorgang is gegoten, en twee maal een iso-elektrisch EEG met een tussenpoos van zes uur. In sommige landen is ook een cerebraal angiogram vereist (in Nederland op medische indicatie).

De lijkschouw

In alle gevallen waarin het justitiële beleid afhankelijk is van de waarnemingen van de gemeentelijk lijkschouwer, dient het lijk ontdaan te worden van alle kleding en van top tot teen te worden onderzocht.
Beoordeel de aanwezigheid van lijkvlekken (localisatie; wegdrukbaarheid), lijkstijfheid, mate van ontbinding en eventueel temperatuur. Met name bij het (nog) niet bekend zijn van de identiteit is het van belang een beschrijving te geven van het geslacht, de lengte, het gewicht, de huidskleur, de beharing, de kleur van de ogen en de bijzondere kenmerken (lichaam: snor, baard; sieraden; littekens, moedervlekken; pigmentaties; haemangiomen; tatoeages; etc.) Noteer daarnaast, samen met de politie, de kleding, sieraden en de eventuele aanwezigheid van een bril of lenzen. Fotografische vastlegging verdient overigens de voorkeur.
Bekijk vervolgens het oppervlak van het gehele lichaam systematisch. Zoek met behulp van palpatie en percussie naar orgaanvergrotingen, botbreuken, onderhuidse luchtophopingen etc.
Bij het aanwezig zijn van letsels is het van belang deze nauwkeurig te beschrijven:

Bij een lijkschouw ter plaatse is het, na het vaststellen van de dood, van belang te letten op de ligging van het lijk, de kleding, tekenen van geweld, sporen van overmatig medicijn/drugs/alcoholgebruik en andere bijzonderheden (b.v. de geur).
Belangrijke details bij lijkschouw kunnen kleine haematomen zijn, die de plaats van een verborgen fractuur markeren of bloed uit oor en neus, als uiting van een schedelbasisfractuur.
Misleidend kan een grote flexibiliteit van het lijk zijn, waardoor de indruk wordt gewekt, dat er een botbreuk is zonder dat dit in werkelijkheid het geval is. Een nekfractuur b.v. is moeilijk te diagnostiseren. De grote beweeglijkheid bij palpatie geeft geen uitsluitsel en men moet met deze diagnose heel voorzichtig zijn.
Twee of vier donker gekleurde half cirkelvormige afdrukken op de voorzijde van de romp, kunnen veroorzaakt zijn door de elektroden van een defibrillator bij een poging tot reanimatie. (Ook gebroken ribben kunnen het gevolg zijn van de reanimatiepoging.)

Andere misleidende fenomenen zijn:

Uitwendige lijkschouw kan geen antwoord geven op de vraag, of een verbrandde, verkoolde persoon is overleden door brand, of al overleden was toen de brand begon. Inwendige lijkschouw moet hier uitkomst brengen, door na te gaan of er door ademen tijdens de brand de longen vol kwamen met roetdeeltjes.  Aanwezigheid van roet in de mond-keelholte kan wel een aanwijzing zijn dat de overledene tijdens de brand nog in leven was.

Schouwverslag

Het schouwverslag dient uit een drietal onderdelen te bestaan:

  1. Een weergave van het gebeuren en een beschrijving van de medische en sociale voorgeschiedenis, voor zover dit relevant is voor het onderzoek;
  2. een weergave van de tijdens de schouw waargenomen feiten;          -
  3. De conclusies uit 1 en 2 met eventueel een advies over het te volgen beleid.

Het doel van de uitwendige lijkschouw valt uiteen in twee delen:

  1. Het onderzoek naar het tijdstip van overlijden
  2. Het onderzoek naar de doodsoorzaak en de omstandigheden waaronder de dood intrad.

Alhoewel er geen duidelijke richtlijnen voorhanden zijn voor eisen die aan de uitvoering van de schouw mogen worden gesteld, bestaat er wel consensus over het volgende: er dient een grondige inspectie van het geheel ontklede lichaam plaats te vinden waarbij ook de plaats waar het lijk is aangetroffen in ogenschouw moet worden genomen. Het verdient sterk de voorkeur de schouw te verrichten op de plaats waar de overledene is gevonden. Bij de lijkschouw ter plaatse is het bij een mogelijk misdrijf van groot belang alle sporen intact te laten. Bij een dergelijke lijkschouw is het daarom zaak te overleggen met de technisch rechercheurs over de te verrichten handelingen en het lopen over het terrein van de misdaad oftewel "Plaats Delict", kortweg P.D.
Sommige zaken dulden geen uitstel, zoals het vaststellen van de dood en eventueel een lichaamstemperatuur-meting. De rest van de schouw moet soms later afgemaakt worden, nadat de politie zijn onderzoek ter plekke heeft afgerond al of niet op een beter geoutilleerde plaats.
Het eventueel afnemen van bloed voor toxicologisch onderzoek vindt ook plaats in overleg met de T.R. De beste indicatie voor bloedafname is het voorkomen van een sectie. De beste plaats voor een postmortale venapunctie is daarbij de V. femoralis. Mocht er speciaal materiaal nodig zijn, b.v. extra lange of dikke naalden, dan moet dit uit het (dichtstbijzijnde) ziekenhuis betrokken worden.
Indien de lijkschouwer niet zeker is van een natuurlijke dood, wordt een verslag afgegeven t.b.v. de OvJ  via het wettelijk voorgeschreven "art. 10- formulier". Hoewel het een medisch verslag is, dienen medische termen vermeden te worden. Conclusies die niet met zekerheid gesteld kunnen worden moeten vermeden worden. Vaak is het het beste om termen te gebruiken als "passend bij ......”
Voorbeeld: de f.g. wordt geroepen bij een man die ogenschijnlijk om het leven is gebracht door messteken. Bij het verslag kan dan genoteerd worden dat de politie een bebloed mes heeft gevonden, waarvan de afmetingen passen bij de uitwendig zichtbare verwondingen.
Of: er wordt een verbrijzeld lichaam gevonden langs de spoorweg. Genoteerd kan worden dat de verwondingen passen bij zeer zwaar uitwendig geweld en dat deze kunnen passen bij aanrijding door een trein.
Het is dus toegestaan kort de gegevens van de politie te vermelden voor zover van belang bij het verslag.
Ook van belang zijn de gegevens van behandelend artsen. Probeer deze dus te achterhalen en vermeld deze in het verslag.

Overleg politie en officier van justitie tijdens en na de lijkschouw

Indien men als lijkschouwer geconfronteerd wordt met een lijkschouw zonder dat de politie aanwezig is (geweest) en men meent een verklaring van natuurlijk overlijden niet af te kunnen geven, zal overleg met de politie noodzakelijk zijn. Het heeft dan geen zin de OvJ te waarschuwen, omdat deze toch eerst het rapport van de politie afwacht.
Hierop is één uitzondering (afgezien van euthanasie): het onderzoek bij overlijden na een medische ingreep, waarbij er mogelijk sprake is van een verwijtbare fout.  N.B. indien het overlijden na een medische ingreep tot de normale risico's behoort, is er mogelijk wel sprake van natuurlijk overlijden. Dit is niet het geval bij foutief medisch handelen of technisch falen van apparatuur. Indien men als lijkschouwer geroepen wordt bij een overledene zonder dat de politie hierbij betrokken is (men wordt bijv. geroepen door een huisarts of mortuariumpersoneel) en er bestaat geen twijfel t.a.v. natuurlijk overlijden hoeft de politie niet geroepen te worden. Ook overleg is niet nodig. Ook een rapportage aan de OvJ is niet nodig. Het volstaat een verklaring van natuurlijk overlijden af te geven.

Hypothermie

Bij mensen die (schijnbaar) levenloos uit het water gehaald worden, terwijl zij kennelijk kort tevoren te water zijn geraakt, moet de afweging gemaakt worden of zij overleden zijn dan wel slechts onderkoeld. Bij twijfel geldt het adagium: een dode patiënt is pas dood als hij warm en dood is! Ook bij personen die in de buitenlucht onderkoeld zijn geraakt speelt dit probleem. In vrieskou kan een schaars gekleed personen binnen enkele uren tot 30 graden of lager afkoelen.
Uiteraard is het tempo waarin iemand afkoelt van veel factoren afhankelijk: een groot en dik persoon koelt minder snel af dan een klein en mager persoon (met name kinderen zullen sneller afkoelen). Tocht en vocht, kleding, ondergrond, stroming, alcoholgebruik (vaatverwijding) spelen ook hier een rol.
Bij niet al te koud water (b.v. meer dan 10 graad Celsius) treedt de dood pas in na gemiddeld 4 uur.
Indien de lichaamstemperatuur na een wat langer verblijf aanmerkelijk lager is dan verwacht mag worden op grond van de grafiek op pagina 38 mag men concluderen dat de dood is ingetreden t.g.v. verdrinking of dat de overledene zelfs al dood was voordat hij/zij te water raakte.
N.B. Hypothermie kan aanvankelijk ook een beschermende werking hebben: een nog levend persoon die zeer snel sterk afkoelt zonder voorafgaand zuurstofgebrek, kan langdurige onderdompeling (b.v. een half uur) overleven wegens het vertraagde metabolisme. Dit effect zal vooral kunnen optreden bij kinderen (relatief groot lichaamsoppervlak) en koud water.

VERSLAGLEGGING, CHECKLIST

Kleine waarnemingen kunnen uiteindelijk van groot belang zijn. Dit weten de technisch rechercheurs ook. Vandaar dat zij steeds vaker werken volgens standaarden. Ook de gerechtelijk pathologen werken bij hun secties volgens een checklist. Die zorgt ervoor dat er in principe niets vergeten wordt. Dit bevordert de kwaliteit en de zorgvuldigheid: een goede reden voor lijkschouwers om ook zo’n lijst te gebruiken. De schouw kan dan gestructureerd plaatsvinden, evenals de verslaglegging daarna. Door de verslaglegging enige tijd te bewaren kunnen vragen achteraf gemakkelijker beantwoord worden.

Hieronder volgt de lijst.

  1. Melding
  2. Aankomst
    1. voorstellen aan de aanwezigen (leider onderzoek, nabestaanden en (para-)medici)
    2. overzicht situatie
    3. toestand van de woning
      1. afgesloten, schoon, ordelijk, TV aan, gordijnen dicht?
      2. wc / badkamer (braaksel, faeces, bloedsporen?)
      3. geisers/kachels (gaslucht, koolmonoxide?)
      4. medicijnen
      5. verbandmateriaal
      6. alcohol (soort, hoeveelheid)
      7. (klimatologische) omstandigheden
        1. vocht,
        2. tocht,
        3. geur,
        4. daglicht,
        5. verwarming,
        6. temperatuur (omgevingstemperatuur meten)
  3. Eerste onderzoek van het lijk (na overleg met politie, eventueel na foto’s en sporenonderzoek)
    1. Houding
    2. Relatie van het lichaam tot de omgeving met betrekking tot (onder andere):
    3. Kleding (vlekken, gaten, scheuren etc.)
    4. Bedekking van het lichaam (bijvoorbeeld door laken of deken)
    5. Grove inschatting van verwondingen (soort, locatie)
    6. Mate van ontbinding
    7. Lijkstijfheid
      1. waar
      2. mate
    8. Lijkvlekken
      1. waar
      2. wegdrukbaar
      3. kleur
    9. Temperatuur lichaam (zo vroeg mogelijk bepalen in verband met temperatuursveranderingen van de omgeving tijdens het onderzoek, bijvoorbeeld door het openen van een deur; de temperatuur wordt (diep)rectaal gemeten)
  4. Schouw van top tot teen (afhankelijk van casus ter plaatse of in het mortuarium te verrichten), het  systematisch onderzoek van het lijk.
  5. Conclusies
    1. past de conclusie bij de bevindingen, medische voorgeschiedenis en gegevens van de politie
    2. indicatie voor nader overleg met eerstelijns forensisch geneeskundigen, (gerechtelijk) patholoog, behandelend artsen of anderen.
  6. Verslaglegging
    Bij niet-natuurlijk overlijden of een vermoeden daarvan, dient men het verslag direct aan de politie mee te geven, zodat de gerechtelijk patholoog de gegevens ter inzage heeft bij de sectie. Indien zeker sectie volgt, dan kan de schouw beperkt blijven. Met name het van top tot teen onderzoek kan dan beperkt blijven. Het verwijderen van kleding en voorwerpen die de dood (waarschijnlijk) veroorzaakten (zak, koord, sjaal, mes etc.) dient achterwege gelaten te worden om bij sectie oorzaak en gevolg vast te stellen.

5. Administratieve afhandeling van de lijkschouw

De volgende formulieren spelen een rol:

Situatie Formulier
In te vullen door:
Bestemd voor:
Natuurlijke dood
A-verklaring (wit)
Behandelend arts
Burgerlijke stand
Natuurlijke dood
A-verklaring (blauw)
Gemeentelijk lijkschouwer
Burgerlijke stand
Elk overlijden
B-formulier (geel)
Schouwarts (beh. of  G.L.)
CBS (al of niet via B.S.)
Twijfel (1)
“Art. 10-formulier”
Gemeentelijk lijkschouwer
Officier van justitie
Niet-natuurlijke dood (2)
“Art. 10-formulier”
Gemeentelijk lijkschouwer
Officier van justitie
Waarschuwing n.n.d.
“waarschuwing”
Gemeentelijk lijkschouwer
Burgerlijke stand
Lijkvinding (3)
Aangifte van lijkvinding
HovJ (politie)
Officier van justitie
Begraven of cremeren
Verlof tot begraven
Burgerlijke stand
Begrafenisondernemer

Verklaring van geen bezwaar tegen begraven
Officier van justitie
Burgerlijke stand
Euthanasie
“modelverklaring” (4)
Gemeentelijk lijkschouwer
Officier van justitie

“modelverslag”
Behandelend arts
Toetsingcommissie (via gem. lijkschouwer)
Levensbeëindiging zonder verzoek
Speciaal art.10-formulier
Gemeentelijk lijkschouwer
Officier van justitie
Uitstel begraven

GGD-arts
Burgerlijke stand
Vervoer naar buitenland
Laissez-passer


Noten:

  1. Als de behandelend arts twijfelt aan een natuurlijke dood waarschuwt hij (telefonisch) de gemeentelijk lijkschouwer. Hij vult geen overlijdensverklaringen in.
  2. Zelfde procedure als bij twijfel.
  3. Als de schouwarts bij een lijkvinding overtuigd is van een natuurlijke dood mag hij een A-verklaring invullen, waarbij de overlijdensdatum (dus) niet ingevuld kan worden. Als de gemeentelijk lijkschouwer bij een lijkvinding twijfelt aan een natuurlijke dood (of overtuigd is van een niet-natuurlijke dood) dan vult hij een art. 10-formulier in.
  4. Dit is een bijzondere variant van het art.10-formulier.

6. Stroomdiagram

Schema lijkschouw

7. Contactpersonen

In de uitoefening van zijn functie moet de gemeentelijk lijkschouwer de volgende functionarissen en instanties kunnen bereiken en dus (in ieder geval) over hun telefoonnummer beschikken. Van sommige instanties is het bezoekadres, postbusnummer, faxnummer of e-mailadres ook relevant.
Elke dienst dient voor de dienstdoende forensisch geneeskundige een lijst met telefoonnummers van de volgende personen of instanties beschikbaar te hebben en deze lijst actueel te houden:

Voor de forensisch geneeskundige die zich ook bezig houdt met arrestantenzorg zijn de volgende instanties van belang.

Codex : Gerechtelijke Geneeskunde,  Dr. J. Zeldenrust.


De gerechtelijke geneeskunde beoogt het toepassen van de geneeskunde ten behoeve van rechtspraak en criminologie of misdaadkunde, waarvan de criminalistiek of opsporingsleer een onderdeel is. Het is verder haar taak wetenschappelijk onderzoek te doen naar aanleiding van vraagstukken van algemene of speciële aard, welke bij gerechtelijke geneeskundige expertises naar voren (zijn) (ge)komen. In het Wetboek van Strafrecht (in België: Strafwetboek) staat welke handelingen en gedragingen als, misdrijf worden beschouwd. De wijze waarop deskundigen in het gerechtelijk (voor)onderzoek kunnen worden ingeschakeld is neergelegd in het Wetboek van Strafvordering. De bevoegdheden tot benoeming van deskundigen berusten bij de rechter-commissaris (in België: onderzoeksrechter). In spoedeisende gevallen kan ook de officier van justitie (in België: procureur des konings) tot een dergelijke benoeming overgaan. Van een arts kan deskundige hulp worden gevraagd bij gerechtelijk onderzoek inzake misdrijven, gericht tegen het leven (moord, doodslag, doden van de vrucht van een zwangere, kindermoord en kinderdoodslag), mishandeling, zedenmisdrijven (aanranding, verkrachting) en zgn. schuldmisdrijven (grove schuld): misdrijven door onvoorzichtigheid of nalatigheid. Behalve in strafzaken kan ook in burgerlijke rechtszaken onderzoek door medische deskundigen worden aangevraagd (bijv. bij vaderschapsonderzoek en onderzoek naar invaliditeit bij acties tot schadeloosstelling. Het gebied dat de gerechtelijke geneeskunde bestrijkt wordt bepaald door de wetten van het land waarin zij wordt toegepast. De wijze waarop gerechtelijk geneeskundig onderzoek kan worden verricht is afhankelijk van de wetenschappelijke vorderingen van de geneeskunde. De strekking van de wetten, voor zover die voor de gerechtelijke geneeskunde van belang zijn, is in de loop van de tijden weinig of niet veranderd. Zij is in de westerse landen ontleend aan de oudtestamentische geboden. Veranderingen in het aspect van de gerechtelijke geneeskunde worden dan ook vooral bepaald door vorderingen op het gebied van de geneeskunde. Een uitvloeisel hiervan is dat de forensische psychiatrie (beoordeling van de geestestoestand van de verdachte en het geven van medisch advies aan de rechter) een afzonderlijke tak van wetenschap is geworden. Tot verdere splitsing is het evenwel nauwelijks gekomen. Opsporing van vergiften (gerechtelijke toxicologie) wordt verricht door daartoe gespecialiseerde apothekers of scheikundigen. Het bepalen van bloedgroepen aan de hand van bloedsporen of bloedmonsters kan het beste aan de seroloog worden toevertrouwd. Het onderzoek van kleding op sporen van misdrijf, vuurwapens enz. wordt verricht door scheikundigen, wapenexperts e.a. Afgezien van een zekere differentiatie, ontstaan door de eisen die de moderne onderzoekstechniek stelt, is er verder in de gerechtelijke geneeskunde (met uitzondering dus van de forensische psychiatrie) geen werkverdeling gekomen. Kortom: de gerechtelijke geneeskunde dient ter voorlichting van de rechtspraak.

Doodslag

Bij de dader wordt (ogenblikkelijke) welbewuste opzet het slachtoffer te hebben willen doden verondersteld. Is de dood niet gevolgd, dan spreekt men van poging tot doodslag.

Moord

De opzet te doden wordt voorafgegaan door kalm beraad gedurende welke contramotieven zich hebben kunnen doen gelden, zgn. voorbedachte rade of doden in koelen bloede, welke omstandigheid aan de doodslag het karakter van moord verleent en strafverzwarend is. Treedt de dood niet in, dan is sprake van poging tot moord.

Mishandeling al dan niet de dood tot gevolg hebbende.

 De dader heeft het oogmerk gehad het slachtoffer letsel (lichamelijk en geestelijk) toe te brengen; er is geen opzet tot doden geweest. Bij ernstige letsels, die een belangrijke mate van invaliditeit tot gevolg hebben, wordt gesproken van zware mishandeling. Heeft evenwel het toegebrachte letsel een door de dader niet beoogd dodelijk gevolg, dan kan na zulk een afloop geen sprake zijn van doodslag omdat de primaire opzet tot doden niet heeft bestaan.

Kinderdoodslag kan alleen worden begaan door een moeder ten opzichte van haar pasgeboren kind en wordt aangenomen indien zij 'onder de werking van vrees voor de ontdekking van haar bevalling' haar kind 'bij of kort na de geboorte opzettelijk van het leven berooft'.

Kindermoord

Deze wordt aangenomen indien om analoge redenen tevoren het besluit is genomen het kind te doden.

De genoemde misdrijven worden samengevat als zgn. opzetmisdrijven. Dit als tegenstelling tot de zgn. schuldmisdrijven, waarbij geen opzet tot toebrengen van letsel of tot veroorzaken van de dood heeft bestaan, doch waarbij deze gevolgen aan (strafbare) schuld van degene die ze teweegbracht kunnen worden geweten. Er moet sprake zijn van grove schuld aleer de rechter strafbare schuld zal aannemen, met andere woorden, overtuigend moet blijken dat de dader van het schuldmisdrijf een grove en vermijdbare fout heeft gemaakt en dat daardoor de bedoelde gevolgen zijn ingetreden. Grove schuld kan ook voortkomen uit het nalaten van noodzakelijke handelingen (bijv. in het geval van de spoorwegwachter die nalaat de overwegbomen te sluiten). Deze enkele voorbeelden wijzen erop dat de gerechtelijke omschrijving van een doodsoorzaak een andere is dan de (gerechtelijk) geneeskundige en dat het hanteren van eerstgenoemde categorie niet geschiedt door de arts maar door gerechtelijke autoriteiten, al dan niet voorgelicht door deskundigen.

Zedendelicten

Misdrijven tegen de zeden; zij omvatten een reeks van handelingen op seksueel gebied. Genoemd kunnen worden: exhibitionisme (openbare schennis van de eerbaarheid), pornografie, verkrachting, uitoefenen van geslachtelijke gemeenschap met een vrouw die bewusteloos is of in staat van onmacht verkeert, buitenechtelijke gemeenschap hebben met een minderjarige vrouw, door geweld of bedreiging iemand dwingen tot plegen of dulden van ontucht, plegen van ontucht met minderjarigen van hetzelfde geslacht, overhalen van minderjarigen tot geslachtelijke gemeenschap, er een beroep van maken anderen met derden tot het plegen van ontucht te bewegen uit winstbejag (souteneurs), vrouwenhandel, opzettelijk in behandeling nemen van een vrouw, of haar deze te doen ondergaan, en daarbij te kennen geven dat daardoor zwangerschap kan worden verstoord (aborteurs) enz. In Nederland zijn zgn. abortusklinieken opgericht; daar wordt door artsen zwangerschap afgebroken indien niet verder gevorderd dan drie maanden, op sociale indicatie. Een wettelijke regeling van het zgn. abortusvraagstuk is in voorbereiding. Tot zover is in verband hiermede het aantal gevallen van criminele (d.w.z. door niet-medici verrichte) abortus met dodelijke afloop vrijwel tot nul teruggelopen.

De medische deskundige in foro heeft tot taak de rechter een onpartijdig deskundig oordeel te geven. Uit het voorgaande kan worden begrepen dat een gerechtelijk geneeskundige in algemene zin met de stand van de geneeskundige wetenschappen op de hoogte dient te zijn, dat de pathologische anatomie en in toenemende mate ook de pathologische fysiologie belangrijke grondslagen zijn waarop medisch-forensische ontwikkeling kan worden gebouwd en dat hij kennis van de toxicologie in de ruimste zin van het woord (kliniek, farmacologie, pathologische morfologie, opsporing van vergiften) en ervaring in herkennen en beoordelen van oorzaak en aard van verwondingen en de eventuele gevolgen daarvan dagelijks nodig zal hebben. De gerechtelijke geneeskunde is een zeer oude wetenschap. Overal waar een bepaalde rechtsorde was ontstaan kwam zij tot ontwikkeling. Een mijlpaal was de Constitutio Criminalis Carolina, waarin ruim vier eeuwen geleden Keizer Karel V voor zijn gehele rijk eiste dat bij berechting van misdrijven het oordeel van een medisch deskundige moest worden gehoord. Italië vooral is de bakermat geweest voor de gerechtelijk geneeskundige wetenschap (Fideli, Zacchia). De ontwikkeling van de natuurwetenschappen in de negentiende eeuw heeft uiteraard ook op de gerechtelijke geneeskunde invloed gehad en tot haar ontwikkeling bijgedragen.

Thanatologie (leer van de verschijnselen van het sterven)

Vaststellen van de dood

De dood treedt in als de levenswichtige functies, irreversibel zijn uitgevallen. Onmiddellijk waarneembaar zijn verlies van bewustzijn, sensibiliteit en motiliteit en van bloedsomloop en ademhaling. In geval van kunstmatige beademing en bloedsomloop is een permanent negatief elektro-encefalogram -(ten minste 24 uur) het criterium van, (cerebrale) dood. Doordat de intraoculaire druk afneemt is het mogelijk door palpatie van de oogbol de pupil te vervormen (een zeer vroegtijdig aanwezig symptoom waarmee de dood kan worden vastgesteld). De daarop volgende lijkverschijnselen zijn lijkvlekken, lijkstijfheid, afkoeling, indroging, ontbinding, rotting en adipocire. Lijkvlekken (livores) blauwrode tot paarsblauwe vlekken aan de laagst gelegen delen (meestal de rug); de hoogst gelegen delen (meestal dus de borstzijde) worden, bleek.' Lijkvlekken kunnen vanaf ongeveer een kwartier tot een half uur na het intreden van de dood worden verwacht en zijn door druk met vinger of plessimeter gedurende drie tot vier uren (soms nog langer) na de dood geheel weg te drukken. Wordt het lijk de eerste (vier) uren in een andere houding gebracht, dan kunnen op plaatsen die dan het laagst zijn komen te liggen nieuwe lijkvlekken ontstaan, de andere lijkvlekken kunnen dan geheel of ten dele weer verdwijnen. Bloedindikking vooral zou wegdrukbaarheid en verplaatsbaarheid van lijkvlekken in toenemende mate bemoeilijken (vanaf ongeveer zes tot twaalf uur na intreden van de dood). Uitgebreidheid en intensiteit van de vlekken zijn afhankelijk van de hoeveelheid bloed (bij ernstige anemie kunnen zij zelfs ontbreken), van het bestaan van aderlijke bloedstuwing en ook van het in meer of mindere mate gestold zijn van het bloed. Op dezelfde wijze als in de huid kunnen ook inwendig veranderingen van de bloedverdeling ontstaan: eventueel hypostasen (bijv. in de longen). De meestal paarsblauwe tot paarsrode kleur van lijkvlekken ontstaat doordat als gevolg van agonale hypoxie aan de bloedkleurstof geen zuurstof meer gebonden is. Bij vergiftiging door koolmonoxide (co-hemoglobine) en door cyaanverbindingen kunnen helderrode lijkvlekken optreden. Deze rode kleur kan ook worden aangetroffen indien het lijk gedurende enige uren aan lage temperaturen is blootgesteld. De huid is dan meer doorlaatbaar voor zuurstof. Een grauwbruine kleur van de lijkvlekken kan ontstaan indien methemoglobine is gevormd (vergiftiging door bijv. kaliumchloraat). Na dodelijk verlopen asfyctische toestanden wordt, doordat post mortem zeer spoedig ontstolling kan optreden, het bloed meestal in vloeibare toestand aangetroffen, hetgeen tot het ontstaan van zeer duidelijke lijkvlekken aanleiding kan geven.

Lijkstijfheid (rigor mortis)

Onmiddellijk na de dood zijn de spieren meestal verslapt; daarop (meestal na één tot twee uur, soms dadelijk, soms later) volgt de ontwikkeling van rigor mortis (waarschijnlijk door een postvitale anaërobe contractietoestand als gevolg van afbraak door enzymwerking van adenosinetrifosfaat, ATP), gevolgd door proteolyse van de spiereiwitten, waardoor de rigor wordt opgeheven. De hartspier toont veelal reeds ongeveer een half uur na de dood rigor, klaarblijkelijk doordat bij de relatief hogere temperatuur van het inwendige van het lijk op enzymwerking berustende omzettingen sneller verlopen dan in de vlugger afkoelende extremiteitspieren. Meestal verstijven de spieren van kaak en nek het eerst. Van daaruit verbreidt het verschijnsel zich over andere spieren (Wet van Nysten); na ongeveer zes tot acht uur is de rigor mortis algemeen. Zij bestaat des te langer naar gelang zij later na de dood tot ontwikkeling is gekomen. De rigor verdwijnt meestal in dezelfde opeenvolging als zij is ontstaan. Omstreeks de derde dag na de dood wordt de rigor weer opgeheven. Rotting (bij zgn. septische lijken) bespoedigt het verdwijnen van rigor in sterke mate.

Kataleptische lijkstijfheid

Fixatie van lichaamshouding op het ogenblik van overlijden - waargenomen indien kort voor de dood zware lichamelijke inspanning heeft plaatsgevonden of indien aan, het overlijden krampen zijn voorafgegaan (tetanus, strychninevergiftiging).
Gladde spieren ondergaan lijkverstijving vroeger dan dwarsgestreepte: rigor van de gladde spieren van de huid kan aan het lijk het verschijnsel van kippenvel en rimpeling van de scrotaalhuid doen ontstaan.

Afkoeling

Na de dood staat het lichaam warmte af aan de omgeving; de snelheid van deze warmteafgifte is van vele factoren afhankelijk. Een kinderlijk (relatief groter oppervlak) koelt meestal sneller af dan dat van een volwassene. Sterke ontwikkeling van de (onderhuidse) vetweefsels en bedekt zijn van het lijk (kleding, dekens enz.) gaan afkoeling tegen. Vier tot vijf uur na de dood kan de afkoeling met de hand duidelijk worden waargenomen; na ongeveer twaalf uur is het lijk meestal koud. De afkoeling vindt niet aan alle lichaamsdelen even snel plaats: extremiteiten zijn meestal eerder koud dan bijv. het abdomen.

Indroging

Door vochtverlies als gevolg van verdamping treedt indroging op. Dit veroorzaakt mat worden van de cornea en droog en hard worden van het slijmvlies van de lippen en van (oppervlakkige) schaaf- en kneuswonden van de huid. 0p indroging van de huid berust ook het 'groeien' van de (baard- of snor)haren na de dood: de haren zijn ogenschijnlijk langer doordat de ingedroogde huid zich terugtrekt.
Mummificatie is een extreme vorm van indroging; zij ontstaat indien het lijk is blootgesteld aan warme en uiterst droge lucht (bijv. lijken in de woestijn).

Ontbinding

Is de rigor mortis een postvitaal katabolisch proces door enzymwerkingen, de autolyse is de verandering van de cellulaire structuur met als laatste stadium het volledig verdwijnen van de cellen door anaërobe werkzaamheid van eigen fermenten en enzymen. Door fermentatieve anaërobe glycolyse ontstaat melkzuur met als gevolg postmortale acidose; door daaropvolgende proteolyse onstaat postmortale alkalose. Autolyse van organen kan worden waargenomen bij de in utero gestorven vrucht. Aan het lijk kan dikwijls vroegtijdige autolyse aan pancreas en bijniermerg voorkomen. Postmortale proteolyse van het peridontium kan veroorzaken dat aanwezige tanden na de dood los gaan zitten of uitvallen. Na postmortale hemolyse kan diffusie van bloedkleurstof naar de weefsels ontstaan. Groene verkleuringen van de huid, meestal het eerst waar te nemen aan de buikwand, boven de liesstreek, zouden berusten op afzetting van verdohemoglobine: Hb waarvan de pyrrolring bij de amethyleenkring is geopend, een fysiologisch voorstadium van bilirubine. Door inbibitie met bloedkleurstof kan de iris van kleur veranderen (van betekenis bij identificatie!); de intima van de slagaderen kan lakrood worden en het endocard, evenals de wand van de aderen, flets paarsrood.

Rotting

Ontstaat door reductieprocessen als gevolg van werkzaamheid van bacteriën en andere micro-organismen. In het lichaam fysiologisch aanwezige bacteriën (in de darm: coli, proteus, in de luchtwegen en op de huid spelen hierbij een rol. Bij infectieuze ziekten kunnen ook pathogene bacteriën het proces inleiden en daardoor bevorderen. Doordat de tijdens het leven bestaande afweermechanismen zijn vervallen kunnen bacteriën en lagere schimmelsoorten ook van buitenaf het lichaam binnendringen en zich daarin evenals de eerder genoemde bacteriën gaan vermeerderen en verspreiden. Rotting gaat gepaard met vorming van afbraakproducten waarvan verscheidene gasvormig zijn. Door deze gassen kan het lijk sterk gaan opzetten; onder de huid en in de organen kunnen gasblazen ontstaan (rottingsemfyseem): door toenemende intraabdominale gasdruk kan zelfs prolapsus uteri voorkomen; een vrucht kan post mortem worden uitgestoten (zgn. Sarggeburt). Behalve gasvorming vindt bij rotting ook verweking van organen en weefsels plaats: ten slotte blijven alleen skelet, gebit en hoofdharen over (gemiddeld na zeven tot tien jaren). Bij hoog watergehalte (hydrops) en ook de aanwezigheid van veel bacteriën (septische aandoeningen) kunnen de rottingsprocessen veel sneller verlopen. Uitdroging, anemie en lage buitentemperatuur werken vertragend op de ontbinding. Rotting begint meestal later na de dood dan autolyse; zij kunnen echter ook gelijktijdig voorkomen.
Adipocire (lijkenwas): verzeping van lichaamsvetten die ontstaat bij vochtige kalkhoudende bodem of hoge stand van het grondwater en geringe mogelijkheid van toetreding van zuurstof.

Vaststellen van het tijdstip van overlijden

De ontwikkeling van de lijkverschijnselen en het verloop van de ontbindingsprocessen in het lijk maken een voorzichtige schatting van het tijdstip van overlijden mogelijk. Gedurende de eerste twaalf uur na de dood biedt het rectaal meten van de lichaamstemperatuur daarvoor enig houvast; per uur zou de temperatuur in het rectum dan gemiddeld ca. 1 graad C dalen (enige bepalingen om het uur ten einde een indruk van het temperatuurverval te krijgen, zijn gewenst). Ten aanzien van ontbindingsprocessen is ook van belang of het lijk zich in de grond, in het water of in de open lucht bevindt.

Vaststellen van de identiteit

Geslacht, lichaamslengte, ontwikkeling van het haarkleed, kleur van de ogen, vingerpatroon (dactyloscopie), gebitsstatus (gegevens van tandartsen), littekens, tatoeages, naevi en bloedgroep. Ook ziekelijke afwijkingen (bijv. skeletafwijkingen) en tijdens het leven gemaakte röntgenfoto's kunnen voor het vaststellen van de identiteit belangrijk zijn. Voorts kledingstukken (soort, aard van de stof, dessin, maat, merken enz.) en schoenen (maat). Van een geskeletteerd lijk kan door meting van de lengte van de lange pijpbeenderen met behulp van de door Pearson of door Dupertuis en Hadden ontworpen formules de lichaamslengte binnen betrekkelijk nauwe grenzen worden berekend.

Voor bepaling van het geslacht zijn bekken en femora het belangrijkst.
Voor leeftijdbepaling zijn gebit (bij het kind het stadium van ontwikkeling: melkgebit, blijvend gebit; bij de volwassene tekenen van slijtage van de kauwvlakken, retractie van het tandvlees) en skelet (bij jonge personen de verhoudingen van de epifysaire schijven, bij oudere personen ouderdoms afwijkingen, atrofische botverandering) van belang.

Vaststellen van de doodsoorzaak

De wet verlangt het maken van onderscheid tussen natuurlijke en niet-natuurlijke dood (België: natuurlijke, verdachte of gewelddadige dood); de arts moet bij overlijden van zijn patiënt dus uitmaken of hij ervan overtuigd is dat aan dat overlijden een natuurlijke oorzaak ten grondslag heeft gelegen. Deze verklaring behoeft geen wetenschappelijk onomstotelijk feit te behelzen. Meestal moet de arts afgaan op hetgeen hem bekend geworden is en hetgeen hij zelf tijdens het leven van de patiënt heeft kunnen waarnemen. In gevallen waarin de ziekteduur zeer kort is geweest zijn de beschikbare gegevens dikwijls zo gering of zo weinig kenmerkend dat redelijkerwijs omtrent de doodsoorzaak geen zekerheid kan worden gegeven. Onder natuurlijke dood wordt begrepen overlijden als gevolg van natuurlijke oorzaken: ziekten of ouderdom. Niet-natuurlijke dood betekent dat als primaire oorzaak van het overlijden een werking van buitenaf op het individu kan worden gevonden. Indien uitwendig geweld is teweeggebracht door schuld of opzet van derden kan, blijkens het Wetboek van Strafrecht, sprake zijn van een misdrijf. Misdrijf is ook het aanzetten tot of behulpzaam zijn bij zelfmoord en een ander op diens verzoek van het leven beroven. Een niet-natuurlijke dood behoeft geenszins op misdrijf te berusten. Meer dan eens is gebleken dat een niet-natuurlijke dood door de arts niet is herkend, bijv. bij (heimelijke) vergiftiging. De ziekteverschijnselen die door vergiftiging kunnen worden opgeroepen kunnen gelijkenis tonen met die van een natuurlijke ziekte.

Enkele voorbeelden.

Chronische arsenicumvergiftiging: deze kan chronische darmcatarre, soms met acute exacerbaties, polyneuritis en dermatosen veroorzaken, waardoor afhankelijk van het syndroom dat het meest op de voorgrond staat de patiënt bij internist, neuroloog of dermatoloog terecht kan komen. Bij het zoeken naar de oorzaak kan de patiënt meestal geen aanwijzingen geven omdat de oorzaak van zijn ziekte hem niet bekend is. Thalliumvergiftiging: wordt ingeleid met in het algemeen vage, algemene klachten: moeheid, lusteloosheid, paresthesieën, pijnen in de benen en versnelde pols, die echter veelal geen bepaalde oorzakelijke diagnose toelaten; dit vooral indien bij herhaling kleine doses thallium zijn toegediend (urineonderzoek op thallium!). Bij acute vergifting treedt na twee tot drie weken opmerkelijk sterke haaruitval tot volledige kaalheid op.

Fosforvergiftiging: sinds invoer in Nederland van het fosforbevattende rattenverdelgingsmiddel Rodent(r) verboden is zijn geen letale gevallen meer waargenomen. Fosforvergiftiging gaat gepaard met geelzucht als gevolg van degeneratieve leverbeschadiging. Na innemen van een hoeveelheid die de dodelijke dosis overschrijdt komt het echter herhaaldelijk voor dat de patiënt reeds overlijdt (omstreeks de vijfde tot de achtste dag) voordat de icterus zich duidelijk heeft voorgedaan. De voorafgegane klachten van maag en darm, gepaard gaande met algemeen ziek-zijn, geven bijv. aanleiding tot de veronderstelling 'buikgriep'. Bij hevige maagpijn wordt ook wel gedacht aan maagulcus, bij fatale afloop aan geperforeerd ulcus. Is het wel tot duidelijke geelzucht gekomen en is daardoor de aandacht op de lever gevestigd, dan kan door het acute beloop van de ziekte infectieuze hepatitis worden verondersteld. In het merendeel van de gevallen van fosforvergiftiging komt het overlijden dikwijls zeer onverwacht, nu eens voorafgegaan door convulsies, dan weer door een kort durende comateuze toestand. (Per)acute dodelijke vergiftiging, waarbij door het snelle beloop de mogelijkheid van het waarnemen van symptomen veelal beperkt is (de in allerijl geroepen arts treft de patiënt óf stervende óf reeds dood aan) kan vooral bij oudere personen op een natuurlijke dood gelijken doordat bijv. het abrupte levenseinde als fatale verwikkeling van een eerder vastgesteld of vermoed         chronisch hart- of vaatlijden kan worden uitgelegd.

Acute cyaankaliumvergiftiging, acute arsenicumvergiftiging en acute vergiftiging door insekticiden (organische fosforverbindingen, bijv. parathion) zijn hiervan voorbeelden. Acute dood door heroïnevergiftiging is in het laatste decennium veelvuldig voorgekomen. De (gemeentelijke) lijkschouwer, die, als de behandelende arts geen verklaring voor de doodsoorzaak heeft kunnen geven of indien de overledene niet geneeskundig is behandeld dan wel om andere redenen (politie, justitie) opdracht krijgt tot verrichten van de doodsschouw (uitwendig!), staat dikwijls voor dezelfde diagnostische moeilijkheden. Ook bij overlijden als gevolg van mechanisch geweld kunnen zich de sporen van het geweld aan waarneming onttrekken. Meermalen komt het voor dat na een (verkeers)ongeval uitwendig aan het lijk geen of nauwelijks letsels zijn waar te nemen, terwijl de inwendige organen uitgebreide en talrijke letsels hebben ondergaan die de dood hebben veroorzaakt.

Gegevens van anderen

Deze kunnen in het algemeen waardevol zijn voor het vaststellen van de doodsoorzaak maar ook wel eens misleidend (een man die bekend stond als lijdend aan een 'zwak' hart werd dood langs de weg gevonden, daar generlei letsel te zien was werd hartverlamming verondersteld; obductie leerde dat zware compressio thoracis door overrijding had plaatsgevonden en dat er geen ziekelijke orgaanveranderingen waren). Het omgekeerde, nl. dat bij natuurlijke dood een niet-natuurlijke oorzaak wordt vermoed, komt waarschijnlijk nog meer voor. Dit betreft nogal eens gevallen van plotseling overlijden van een ogenschijnlijk gezond persoon (Frans: mort imprévue, Engels: unexplained sudden death). Telkenmale blijkt voor te komen dat bij ernstige slepende ziekten de patiënt geen of nagenoeg geen klachten heeft geuit en dat eigenlijk het overlijden het eerste manifeste symptoom is geweest.

Voorbeelden:

dood bij coronariasclerose en dodelijke hersenbloeding bij latent bestaand hersengezwel.

Ook acute infecties, die hetzij door foudroyant beloop hetzij doordat zich een bepaalde verwikkeling heeft voorgedaan kunnen het vermoeden van niet-natuurlijke dood doen ontstaan. Voorbeelden: acute meningococcensepsis kan onder gastro-intestinale verschijnselen gepaard gaan met collaps en (daardoor?) zonder temperatuurverhoging dodelijk verlopen, de bulbaire vorm van poliomyelitis kan na kort durende vage klachten een abrupt letaal einde veroorzaken door centrale ademhalingsstilstand.

Het vermoeden van een niet-natuurlijke dood, waarbij meestal aan vergiftiging wordt gedacht, geeft justitie nogal eens aanleiding een zgn. gerechtelijke sectie te laten verrichten. De opmerking, dat het door de arts (lijkschouwer) uitgesproken vermoeden van niet-natuurlijke dood 'nogal eens' tot gerechtelijke sectie aanleiding geeft behoeft toelichting. De wet schrijft niet voor dat in een dergelijk geval sectie (gerechtelijk) moet worden gelast. Een en ander wordt aan het beleid van de justitiële autoriteiten overgelaten, die daartoe zullen besluiten indien daarvoor uit justitieel oogpunt aanleiding is. Een onopgehelderde doodsoorzaak behoeft derhalve geen aanleiding tot opdracht van gerechtelijke sectie te zijn, hoezeer zulks om wetenschappelijke redenen en om redenen van medische statistiek ook van betekenis zou zijn. Een (te goeder trouw) miskende niet-natuurlijke doodsoorzaak (met name door vergiftiging) kan tot gevolg hebben (indien bij justitie en politie niet aanstonds uit anderen hoofde vermoeden op misdrijf is gerezen) dat dit (voorshands) onopgemerkt blijft. Rijst later ernstige twijfel, dan kan opgraving van het stoffelijk overschot worden gelast. De pathologisch-anatomische diagnostiek kan dan in belangrijke mate zijn bemoeilijkt doordat de tekenen van ziekte en geweld als gevolg van ontbinding kunnen zijn uitgewist. Ook de toxicologische diagnostiek kan dan op moeilijkheden stuiten: vele vergiften, vooral organische verbindingen (bijv. barbitalen) kunnen dikwijls niet meer worden aangetoond; metalen (bijv. lood, kwik, arsenicum, thallium) kunnen meestal wel worden teruggevonden. Soms blijkt dat ook na obductie, histologisch onderzoek en eventueel bacteriologisch en toxicologisch onderzoek geen doodsoorzaak aanwijsbaar is (negatieve sectie).

Traumata

Ten aanzien van verwondingen aan het lijk dient te worden vastgesteld of deze tijdens het leven dan wel na de dood zijn ontstaan. Postmortale letsels tonen -geen vitale kenmerken zoals bloeduitstorting, bloeding in de weefsels, hyperemie en ontstekings- respectievelijk wondgenezingsreacties. Het symptoom bloeduitstorting kan tot diagnostische moeilijkheden aanleiding geven. Uit een post mortem ontstane wond kan nl. bloed aflopen (na openen van een bloedvat in een gebied met hypostase); infiltratie van bloed in de weefsels van de wondranden kan dan niet worden aangetoond. Anderzijds kan na intravitaal ontstane zware verbrijzeling (bijv. wanneer de benen zijn afgereden, elk spoor van bloeding achterwege blijven; de bloedvaten kunnen door afgescheurde en opgerolde intimadelen en/of door kramp zijn afgesloten.

Verwondingen

Worden als volgt onderscheiden: steekwonden en snijwonden, verwondingen door stomp geweld; kneuzing, ontvelling, schaafwond, scheurwond, fracturen, luxaties, schotwonden, brandwonden en verwondingen door elektriciteit en bestraling (röntgen). Naar het uitwendig waarneembare aspect zijn deze wonden veelal betrekkelijk gemakkelijk te herkennen. Af en toe kan het moeilijk zijn een geslagen scheurwond van een snijwond te onderscheiden; ook kan een (uitwendige) schotwond, indien smal en langgerekt van vorm, aan een steekwond doen denken. Het post mortem vaststellen van inwendige letsels kan, in het bijzonder bij multipliciteit, moeilijk zijn. Na inwerking van stomp geweld kunnen uitwendige letsels nagenoeg of geheel ontbreken terwijl wel inwendige ernstige beschadigingen voorkomen (verkeersongevallen).

Gevolgen van traumata

Direct: bloedverlies (in- of uitwendig), shock (primair, secundair), vetembolie (pulmonale, cerebrale), luchtembolieën (pulmonale, cerebrale), infectie (sepsis, tetanus) en (vaat)spasmen.
Indirect: aspiratie (bloed, slijm)pneumonieën, trombose en embolieën, lower nephron syndroom en verergering van bestaande aandoeningen. Elk van deze gevolgen kan de doodsoorzaak zijn. Bij bloedverlies speelt behalve de hoeveelheid bloed die verloren gaat vooral de snelheid waarmee dit geschiedt een grote rol. Bij hemopericard, haemocephalus en extraduraal hematoom kunnen betrekkelijk kleine hoeveelheden bloed de dood veroorzaken.

Gewelddadige verstikking

Deze vindt plaats door omsnoering (ophanging, strangulatie) of dichtknijpen (wurging) van de hals, bedekken van neus en mond, bijv. bij bedelving (waardoor de ademhalingsbewegingen van de borstkas onmogelijk worden) en na verslikken (corpus alienum in de luchtpijp). Verdrinking gaat eveneens gepaard met verstikking. Plotselinge krachtige omsnoering van de hals kan met shockverschijnselen gepaard gaan (sinus-caroticusreflex,  laryngeale reflex, dood neervallen na een stoot tegen de larynx; kan ook bij ophanging worden verwacht. Shock door de koudeprikkel van het water kan bij 'verdrinking' voorkomen. Omsnoering van de hals geeft een zgn. snoerband of -groeve: roodbruine droge verharding van de gecomprimeerde huiddelen, welke afwijking vooral enkele uren later duidelijk kan worden waargenomen. Bij wurging (dichtknijpen van de hals) kunnen huidletsels door druk van vingernagels ontstaan. Met carotisdood wordt bedoeld dat door betrekkelijk lichte druk op de hals dood kan intreden, klaarblijkelijk door verhoogde reflexprikkelbaarheid: acute hartstilstand (medisch-forensisch van grote betekenis). De sporen nagelaten door inwerking van geweld op de hals, kunnen zeer gering zich en zijn soms ternauwernood zichtbaar. Wanneer de lijkschouwer op de eventualiteit van zulke halsletsels niet is voorbereid kunnen zij zelfs aan zijn waarneming ontsnappen. Anderzijds bestaat het gevaar dat ogenschijnlijk soortgelijke geringe veranderingen ten onrechte (opzettelijke) geweldpleging doen vermoeden. Overeenkomstige moeilijkheden kunnen ook de interne afwijkingen opleveren. Gewelddadige verstikking door bedekking van de toevoerende luchtwegen (neus en mond) behoeft geen sporen na te laten; de longen kunnen dan veranderingen tonen zoals deze door extreme ademnood kunnen ontstaan. Zonder aanvullende gegevens (eventuele bekentenis) kan de rechter geen bewijs van deze vorm van gewelddadige verstikking construeren.

Vergiftiging

De diagnose van vergiftiging behelst het vaststellen van het ziektebeeld: anamnese, klinische bevindingen, pathologisch-anatomische afwijkingen, opsporing van het vergif in urine, maaginhoud, faeces, haren (arsenicum), organen en lichaamsvochten. Kwantitatieve gegevens zijn hierbij van grote betekenis: indien bijv. bij acute (letale) gastro-enteritis in de maaginhoud betrekkelijk grote hoeveelheden van een arsenicum verbinding worden gevonden terwijl tevens in de hoofdharen een duidelijk verhoogd gehalte aan arsenicum bestaat kan dit betekenen dat voor deze acute vergiftiging reeds eerder arsenicum in het lichaam was gekomen. Indien de patiënt de acute vergiftiging betrekkelijk geruime tijd overleeft doch ten slotte aan de gevolgen van door het vergif ontstane orgaanbeschadiging overlijdt, kan de toxicologische analyse een vrijwel negatief of geheel negatief resultaat opleveren doordat het vergif is uitgescheiden of is omgezet in onkarakteristieke verbindingen. Het vaststellen van vergiftiging behoort daarom zowel op de waardering van de uitkomsten van het geneeskundig als van die van het toxicologisch onderzoek te berusten en niet op een van beide afzonderlijk. Het aantal bekende vergiften is legio en neemt door de industriële activiteit nog dagelijks toe. Accidentele vergiftigingen door de vele giftige stoffen uit de dagelijkse praktijk kunnen uiteraard ook worden verwacht. Bij suïcide en bij gifmoord blijkt de reeks van toegepaste vergiften betrek beperkt te zijn: nogal bekend geworden zijn arsenicum, fosfor, cyaankalium en thallium; menigmaal worden ook organische fosforverbindingen (bijv. parathion) gebruikt. Vergiftiging door medicamenten (bijv. slaapmiddelen) kan accidenteel zijn. Koolmonoxidevergiftiging komt voor als gevolg van onvolledige verbranding van aardgas (defecte gasgeisers) en als suïcide door het inademen van de uitlaatgassen van een auto (in gesloten garage).