De werkgroep Protocol Lijkschouw heeft zich ten doel gesteld alles wat met de lijkschouw verband houdt en voor eerstelijns forensisch geneeskundigen van belang is in een handleiding bijeen te brengen. Hierin wordt – naast het protocol lijkschouw in engere zin (onderzoek en verslaglegging) - achtergrondinformatie gegeven de postmortale verschijnselen en hun pathofysiologie, het juridisch kader, de te volgen procedure en de administratieve afhandeling. Daarbij is gebruik gemaakt van reeds bestaande protocollen (van met name GGD Dordrecht, GGD West-Utrecht en de GGD Achterhoek), van de in 1999 uitgebrachte bundel Wettelijke Regelingen van de Vakgroep Forensische Geneeskunde, van het artikel “Standaardisatie van de lijkschouw, een eerste aanzet” van Van Ingen en Lulf in Modus (jan. 1998) en van het uitstekende en zeer verhelderende hoofdstuk Gerechtelijke Geneeskunde van Zeldenrust en Van de Voorde uit de Codex Medicus van 1981 (waarvan de opstellers van genoemde protocollen blijkbaar ook gebruik hebben gemaakt en dat helaas uit latere drukken van de Codex is verdwenen). Voor dagelijks gebruik kan men zich beperken tot enkele onderdelen van deze handleiding.
Eén van de
belangrijkste taken van een forensisch arts is het verrichten van een
lijkschouw. Op dit punt wordt een forensisch arts geacht een bijzondere
deskundigheid te hebben. Daartoe is kennis van postmortale
verschijnselen een eerste vereiste. Een systematisch onderzoek van het
lijk en van de plaats waar het lijk is aangetroffen is evenzeer vereist
om tot de juiste conclusie te komen. Zonder kennis van het juridisch
kader is het moeilijk de juiste beslissing te nemen. Ook de
administratieve afhandeling is gecompliceerd.
Deze handleiding beschrijft
bovengenoemde gebieden en bevat een protocol in engere zin (onderzoek
en verslaglegging) naast informatie die onontbeerlijk is om tot een
juist oordeel te komen.
De Wet op de Lijkbezorging
(WLB) van 1991, regelt de gang van zaken rond het overlijden, begraven
c.q. cremeren. De WLB vereist dat een lijk moet worden geschouwd en
geïdentificeerd alvorens mag worden overgegaan tot een vorm
van lijkbezorging (begraven, cremeren of ontleding).
De wet bevat een aantal
bepalingen, die voor een lijkschouwer van belang zijn. De wet munt niet
uit door helderheid en logica. Bovendien ontbreekt een definitie van
het voor forensisch geneeskundigen wezenlijke begrip niet-natuurlijke
dood. De lijkvinding wordt in deze wet in het geheel niet
geregeld (in art. 19 van het Burgerlijk Wetboek wordt
aangegeven wanneer er sprake is van een lijkvinding). Voorts
worden enkele termen verwarrend gebruikt en/of niet nader
omschreven.
In art. 2 WLB wordt
omschreven wat onder een lijk (= het stoffelijk overschot van
een overledene of doodgeborene) en een doodgeborene (= een doodgeboren
vrucht van minimaal 24 weken) wordt verstaan. Bij deze twee definities
hebben de ontwerpers van de wet het gelaten. Hieronder volgen in
numerieke volgorde de voor forensisch geneeskundigen
belangrijkste bepalingen met voor zover nodig een toelichting. Soms is
de tekst letterlijk weergegeven (tussen aanhalingstekens), soms is
alleen een korte samenvatting van de inhoud gegeven.
Artikelen die voor lijkschouwers minder relevant geacht worden, zijn
weggelaten.
Art. 3: "Lijkschouwing geschiedt door de behandelende geneeskundige of door een gemeentelijke lijkschouwer."
Het verrichten van een
lijkschouw impliceert het afgeven van een overlijdensverklaring. Bij
een niet-natuurlijke dood kan alleen een gemeentelijk lijkschouwer een
'officiële lijkschouw' verrichten.
Een lijkschouw is niet
hetzelfde als een onderzoek van een lijk. Een lijk kan door velen
onderzocht worden, maar in principe slechts 1 keer geschouwd
worden.
In art. 6. wordt bepaald dat een lijkschouwer geen
familieleden en geen personen die hij de laatste twee jaar
behandeld heeft mag schouwen. Net als een behandelend arts mag een
lijkschouwer geen bloed- en aanverwanten of zijn partner
schouwen.
Art. 7. lid 1: "Hij die de schouwing heeft verricht geeft een verklaring van overlijden af, indien hij overtuigd is, dat de dood is ingetreden ten gevolge van een natuurlijke oorzaak."
Met (verklaring van) 'overlijden' wordt kennelijk (een verklaring van) een natuurlijke dood bedoeld.
Art. 7 lid 2: "Indien de behandelende geneeskundige meent niet tot afgifte van een verklaring van overlijden te kunnen overgaan, deelt hij dit onverwijld mede aan de gemeentelijke lijkschouwer of een der gemeentelijke lijkschouwers."
Er kan sprake zijn van
In deze wet is niet geregeld of bij een lijkvinding de gemeentelijk lijkschouwer al of niet moet worden ingeschakeld.
Art. 10 lid 1: "Indien de gemeentelijk lijkschouwer meent niet tot afgifte van een verklaring van overlijden te kunnen overgaan, brengt hij onverwijld verslag uit aan de officier van justitie...."
Bedoeld wordt niet, zoals de
letterlijke tekst misschien doet vermoeden, dat als de gemeentelijk
lijkschouwer niet zeker weet dat de betrokkene is overleden, hij
verslag uitbrengt aan de officier, maar bedoeld wordt
dat de lijkschouwer, als hij - zoals het 'art.10-formulier'
het formuleert - niet overtuigd is van een
natuurlijke dood (hetgeen iets anders is dan
overtuigd zijn van een niet-natuurlijke dood) een
rapport opmaakt voor de officier. Ook bij twijfel aan de al of niet
natuurlijke doodsoorzaak wordt dus een
'verslag van een niet-natuurlijke dood' ingevuld.
Art. 11 bepaalt dat voor begraven of cremeren een verlof tot begraven
of verbranding van de burgerlijke stand nodig is.
Dit verlof wordt afgegeven
(art. 12) na overlegging van een verklaring van overlijden bij een
natuurlijke dood of een verklaring van geen bezwaar van de Officier van
Justitie bij een niet-natuurlijke dood.
Art. 12a lid 1 bepaalt dat de arts die de A-verklaring heeft afgegeven
ook het B-formulier voor het CBS moet invullen. Het nogal
cryptische lid 2 bepaalt dat als de Officier van Justitie een
verklaring van geen bezwaar heeft afgegeven (dus bij een
niet-natuurlijke dood) het B-formulier wordt ingevuld door een 'arts,
aangewezen door de Officier van Justitie', dat kan waarschijnlijk ook
de gerechtelijk patholoog zijn.
In lid 3 van art. 12a wordt met
veel omhaal van woorden uiteengezet dat er een B-formulier
voor het CBS bestaat, dat ook rechtstreeks door de lijkschouwer naar
het CBS gestuurd kan worden.
Art. 14 lid 1: "Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden als bevoegde officier van justitie en als bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand aangemerkt die van de plaats, waar betreffende de overledene of doodgeborene ingevolge aangifte een akte in het register van overlijden is ingeschreven."
lid 2: "Bij gebreke van een akte zijn bevoegd de officier van justitie en de ambtenaar van de burgerlijke stand van de plaats van begraving of verbranding."
Dit artikel bedoelt
waarschijnlijk te zeggen dat de officier en de burgerlijke stand van de
plaats waar het lijk gevonden is en waar het overlijden is aangegeven,
bevoegd is. Vergelijk het veel duidelijker art. 76 lid 5.
Art. 16: "Begraving of verbranding geschiedt niet eerder dan 36 uren na het overlijden en uiterlijk op de vijfde dag na die van het overlijden."
Van deze
termijnen kan worden
afgeweken. Voor lijkbezorging binnen
36 uur is toestemming van de Officier van Justitie en van de
burgemeester, die een arts dient te raadplegen, nodig . Voor
lijkbezorging na vijf dagen is alleen toestemming van de burgemeester
(weer na raadpleging van een arts) voldoende.
Bij het vaststellen van de
termijn van vijf dagen tellen zon- en feestdagen mee.
Art. 17: "Na een geneeskundige te hebben gehoord kan de burgemeester der gemeente, waar het lijk zich bevindt, voor de begraving of verbranding daarvan een andere termijn stellen. Begraving of verbranding binnen 36 uur na het overlijden staat hij echter niet toe dan in overeenstemming met de officier van justitie."
Over welke zaken en vragen een
arts gehoord moet worden en
welke arts gehoord moet worden, spreken wet, noch toelichting.
Art.
20: "Ingeval niemand maatregelen
neemt tot lijkschouwing of lijkbezorging overeenkomstig de
wet, waarschuwt degene, die het lijk onder zijn berusting heeft, de
burgemeester en wel uiterlijk op de derde dag na het
overlijden."
Art. 21: "Indien niemand voorziet in de
lijkschouwing en lijkbezorging overeenkomstig de wet,
draagt de burgemeester daarvoor zorg."
Art. 22: "De kosten, verbonden aan de
bezorging van lijken waarvoor de burgemeester zorg draagt, daaronder
begrepen lijken die uit zee worden aangebracht, komen ten laste van de
gemeente."
Art. 29 lid 1: "Geen lijk wordt
opgegraven dan met toestemming van de rechthebbende
op het graf en voorts met vergunning van de burgemeester der gemeente,
binnen welker gebied het begraven is, nadat deze de betrokken regionale
inspecteur van de volksgezondheid heeft gehoord."
lid 2: "Aan de vergunning verbindt de burgemeester de nodige voorschriften betreffende geneeskundig toezicht alsmede vervoer en bestemming van het lijk."
lid 3: "Een opgegraven lijk mag worden verbrand met schriftelijk verlof van de officier van justitie van de plaats van opgraving," etc.
Opgraven van een lijk is wat anders dan ruimen van een graf. Uit wet noch toelichting blijkt wat het geneeskundig toezicht inhoudt en welke arts men op het oog heeft.
Art. 30: "Artikel 29 is niet van toepassing bij een opgraving ingevolge een bevel van een gerechtelijke autoriteit met het oog op een strafrechtelijk onderzoek."
Art. 67 lid 1: Een lijk kan in het belang van de wetenschap of het wetenschappelijk onderwijs worden ontleed.
Met ontleding wordt
bedoeld sectie voor anatomisch
onderwijs en niet obductie/sectie oftewel in de termen van de
wet 'lijkopening' (geregeld in art. 72).
In beginsel dient de overledene zelf zijn lichaam 'ter
beschikking' te hebben gesteld. Ook de nabestaanden kunnen
toestemming geven of 'degenen die de zorg voor het lijk op zich nemen'.
Als niemand de zorg op zich neemt is de burgemeester (ex art.
21) verantwoordelijk;
Art.
68 lid 1: "Geen ontleding geschiedt
zonder schriftelijk verlof van de burgemeester, afgegeven
uiterlijk op de derde dag na die van het overlijden."
Art. 69: "Ontleding vangt niet eerder aan dan 36 uren na het
overlijden."
Art.
71 lid 1: "Een lijk wordt niet gebalsemd of aan enige andere
conserverende bewerking onderworpen."
lid 2: "Het verbod, vermeld in het
eerste lid, is niet van toepassing, indien het lijk tot
ontleding bestemd is of naar het buitenland wordt gezonden."
In uitzonderlijke gevallen kan de minister ontheffing verlenen.
Art. 72 lid 1: "Indien de overledene dit heeft toegestaan, kan zijn lijk aan sectie worden onderworpen of kunnen daaruit delen ten behoeve van transplantatie worden verwijderd."
De overledene moet een
verklaring in die zin hebben afgelegd. Lid 2
bepaalt dat bij gebreke van toestemming nabestaanden of erfgenamen of
anders 'degenen die de zorg voor het lijk op zich nemen' toestemming
kunnen geven. Het geven van toestemming voor sectie als er
geen personen zijn die bevoegd zijn toestemming te geven wordt
door de burgemeester (die dan bevoegd is) vaak gedelegeerd aan de
GG&GD. Belangrijk is dat vast staat dat de politie al het
mogelijke heeft gedaan om nabestaanden te bereiken.
Art. 73 lid 1: geen toestemming is nodig als
a. de officier van justitie een sectie gelast;
b. "het belang van de volksgezondheid sectie vereist" of;
c. "de vaststelling van de oorzaak van een ongeval met een luchtvaartuig dit vereist".
Art. 75: Het vaststellen van de dood dient door een andere arts te
geschieden dan degene die de sectie of het uitnemen van organen
verricht.
Art. 76 WLB,
lid 1: "Wanneer tekenen of aanduidingen van een niet-natuurlijke dood aanwezig zijn of wanneer in verband met andere omstandigheden een niet-natuurlijke dood niet uitgesloten geacht kan worden, mag het lijk niet worden vervoerd dan met verlof van de officier van justitie of een van zijn hulpofficieren."
lid 2: "In zodanig geval mag ontleding, conservering, sectie of verwijdering van delen uit het lijk ten behoeve van transplantatie niet plaatsvinden, of, indien reeds aangevangen, niet worden voortgezet, dan met toestemming van de officier van justitie."
lid 3: "Indien de officier van justitie een geval als bedoeld in het eerste lid aanwezig acht, kan hij uitstel van de begraving of verbranding van het lijk gelasten, of de verbranding verbieden. Zolang een zodanige maatregel van kracht is, wordt het lijk niet begraven of verbrand, onderscheidenlijk niet verbrand, en geeft de ambtenaar van de burgerlijke stand daartoe geen verlof."
lid 4: "Indien de officier van justitie een geval als bedoeld in het eerste lid aanwezig acht kan hij verstrooiing van de as af overbrenging van de asbus als bedoeld in artikel 60, tweede lid, verbieden."
lid 5: Voor de toepassing van dit artikel wordt als bevoegde officier van justitie aangemerkt die van de plaats waar het lijk het eerst is aangetroffen.
Deze bepalingen van art. 76 zijn (bij wijze van uitzondering) zo duidelijk dat ze geen toelichting behoeven.
Art. 77: "Gedurende een gerechtelijk vooronderzoek komen de bevoegdheden, die artikel 76 aan de officier van justitie toekent, mede toe aan de rechter-commissaris."
Art. 19f, lid 2 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt:
"Indien een lijk is gevonden en de plaats of de dag van overlijden niet met voldoende nauwkeurigheid kan worden vastgesteld, wordt de akte van overlijden opgemaakt door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente waarin het lijk is gevonden of aan land gebracht".
Er is dus alleen sprake van een
zgn. lijkvinding als de dag (en/of de
plaats) van overlijden niet makkelijk ("met voldoende
nauwkeurigheid") kan worden vastgesteld. Als een lijk enkele dagen na
het overlijden gevonden wordt en als aan de hand van post, kranten,
tv-gids of verklaringen van buren of familie makkelijk vastgesteld kan
worden op welke dag het overlijden heeft plaatsgevonden is er geen
sprake van een lijkvinding in de zin van art. 19 BW. Er is dan geen
proces-verbaal van de politie nodig. Bij een natuurlijke dood kan de
huisarts in zo'n geval zelf een overlijdensverklaring afgeven.
Als de overlijdensdatum niet
eenvoudig kan worden vastgesteld moet de politie een onderzoek
instellen en trachten de overlijdensdatum te bepalen. Ook de
huisarts kan de politie inschakelen en een verklaring van
(natuurlijk) overlijden afgeven, waarbij de overlijdensdatum
wordt opengelaten en wordt verwezen naar het proces-verbaal van de
politie. Nergens wordt wettelijk bepaald dat bij een lijkvinding de
gemeentelijk lijkschouwer de lijkschouwing moet verrichten, al zal dat
in de praktijk gewoonlijk wel het geval zijn.
Dit onderwerp is niet in de WLB geregeld. Er moet onderscheid gemaakt worden tussen het constateren van de dood en het afgeven van een overlijdensverklaring. Iedereen mag - in tegenstelling tot een bijna onuitroeibaar idee, dat vooral bij ambulancediensten en bij de politie leeft - de dood constateren, ook al zal men op het oordeel van sommigen niet vertrouwen. Het is dus niet nodig dat een ambulance met (bijv.) een verkeersslachtoffer eerst langs een EH-post rijdt (zodat een arts de dood kan constateren) alvorens de overledene naar een mortuarium te brengen.
Het afgeven van een overlijdensverklaring is voorbehouden aan artsen en gekoppeld aan het verrichten van de lijkschouwing. Een lijkschouwing bestaat uit vijf onderdelen:
Diverse regelingen betrekking
hebbend op lijkbezorging zijn niet
geregeld in de WLB maar in uitvoeringsvoorschriften, meestal via een
Algemene Maatregel van Bestuur.
Voor gemeentelijk lijkschouwers
zijn de meeste regelingen niet interessant, hieronder een selectie van
bepalingen die wel relevant zijn en een paar die mogelijk interessant
zijn.
Art. 3 lid 1: "Een lijk wordt begraven in een kist."
Art. 3 lid 2: een ander omhulsel mag ook.
Art. 4: "een kist of omhulsel mag niet vervaardigd zijn van kunststoffen of metalen."
Art. 11 lid 1: "Het vervoer van een lijk naar het buitenland geschiedt ongehinderd, mits aanwezig is een laissez-passer, afgegeven door de burgemeester van de gemeente waar de overledene in het register van overlijden is ingeschreven."
Art. 11 lid 3: Voor vervoer van een lijk binnen de Benelux is (onder een aantal voor de hand liggende voorwaarden) geen laissez-passer nodig.
Art. 18 t/m 25 handelen over overlijden op zee.
Art. 18 en 19: lijkbezorging geschiedt in het land waar de overledene thuishoort of volgens de wilsuiting van de overledene.
Art. 20: handelt over de bewaring
Art. 21: indien de overledene dat bepaald heeft is een 'zeemansgraf' (36 uur na het overlijden) toegestaan. Bij gebreke van een wilsverklaring kunnen ook nabestaanden hiertoe besluiten.
Art. 22: Als de gezondheidstoestand aan boord dit vordert of als bewaring volgens art. 20 niet mogelijk is, kan de gezagvoerder besluiten het lijk overboord te zetten, "na overleg met een arts of bij gebreke van deze na overleg met leden van de bemanning".
Art. 23: "Indien het lijk overboord wordt gezet, wordt het in een stevig omhulsel verpakt en verzwaard met zodanig gewicht dat het zinken en onder water blijven van het lijk zijn gewaarborgd."
Art. 24: "Wanneer tekenen en aanduidingen van een niet-natuurlijke dood aanwezig zijn of wanneer in verband met andere omstandigheden een niet-natuurlijke dood niet uitgesloten geacht kan worden, wordt het lijk niet verplaatst dan nadat door de gezagvoerder een onderzoek is ingesteld."
N.B. De wet en het besluit vermelden niet hoe, waar en wanneer en onder welke voorwaarden het lijk van iemand die op zee is overleden geschouwd moet worden.
Art. 27. "Bij vermoeden van overlijden van een op een installatie verblijvende persoon stelt degene die op die installatie is belast met het verlenen van medische zorg, of bij diens ontstentenis degene die met de leiding der werkzaamheden is belast, zich zo spoedig mogelijk met een arts in Nederland in verbinding, teneinde vast te kunnen stellen of betrokkene is overleden."
Iemand die op een booreiland overlijdt kan kennelijk
"telefonisch geschouwd" worden.
Art. 29. "Wanneer tekenen of aanduidingen van een niet-natuurlijke dood aanwezig zijn of wanneer in verband met andere omstandigheden een niet-natuurlijke dood niet uitgesloten geacht kan worden, wordt het lijk niet verplaatst dan met toestemming van de officier van justitie te Amsterdam."
BESLUIT van 19 november 1997 (Staatsblad 550) houdende vaststelling van de formulieren als bedoeld in artikel 10 van de WLB betreffende het overlijden van een niet-natuurlijke oorzaak, niet zijnde levens beëindiging zonder uitdrukkelijk verzoek.
Art. 1 handelt over het 'gewone' art. 10-formulier.
Art. 2 handelt over het nieuwe art. 10-formulier te gebruiken bij euthanasie en hulp bij zelfdoding. Nieuw is de verklaring van de lijkschouwer het verslag van de arts, de schriftelijke wilsverklaring, het verslag van de geconsulteerde arts en een copie van het art. 10-formulier te zullen toezenden aan de toetsingscommissie.
Art. 3 bepaalt dat het oude euthanasie-formulier wordt ingetrokken.
Art. 4 bepaalt dat art. 3 pas in werking treedt als er een nieuw formulier is voor levensbeëindiging zonder uitdrukkelijk verzoek.
Dit besluit is op 1 november
1998 in werking getreden met uitzondering
van art. 3. Dus het oude euthanasie-art.10-formulier is nog
niet ingetrokken en dient met name gebruikt te worden bij
levensbeëindiging zonder verzoek.
Het model van het verslag, dat de arts die de euthanasie heeft
verricht, moet invullen is opgesteld volgens een bijlage horend bij dit
besluit (het zgn. 'modelverslag').
De instelling van de regionale toetsingscommissies is geregeld
in een uitvoeringsvoorschrift behorend bij de WLB (Regeling
regionale toetsingscommissies euthanasie van de ministers van Justitie
en VWS van 27 mei 1998, Stcrt.101).
Kernartikel is art. 9: (voorwaarden euthanasie)
De commissie komt tot het oordeel dat door de arts zorgvuldig is gehandeld indien:
Art. 8 lid 3 : De commissie kan bij de gemeentelijk lijkschouwer, de consulent of bij de betrokken hulpverleners inlichtingen inwinnen, indien dit voor een goede beoordeling van het handelen van de arts noodzakelijk is.
Aan het B-formulier voor het CBS 9 (art. 12a WLB) is ook nog een ministeriële regeling (Regeling doodsoorzaakverklaring) gewijd.
Art. 2 bepaalt dat de burgerlijke stand dit formulier voor de achtste van de eerstvolgende maand na de maand van ontvangst doorstuurt naar het CBS.
Art. 3 bepaalt dat op verzoek van de geneeskundig hoofdinspecteur het formulier binnen een week doorgestuurd moet worden.
Van een natuurlijke dood kan
worden gesproken bij een overlijden dat
uitsluitend het gevolg is van spontane ziekte of ouderdom.
Een doodsoorzaak is niet
natuurlijk als er sprake is van een ongeval of geweld (zowel chemisch
of biologisch, als fysisch), schuld of opzet van derden, dan
wel zelfdoding. Ook medische of verpleegkundige fouten kunnen oorzaak
zijn van een niet-natuurlijke dood. De volgende categorieën
zijn te onderscheiden:
Postmortale veranderingen beginnen op het moment van overlijden. Ze manifesteren zich op verschillende tijdstippen. Men moet zeer voorzichtig zijn met uitspraken over het tijdstip van overlijden. Exacte uitspraken zijn niet mogelijk, zeker niet op basis van geïsoleerde verschijnselen. Uitspraken die wel mogelijk zijn op grond van de postmortale veranderingen dienen veeleer ter ondersteuning van de overige bevindingen (o.a. bevindingen van de politie).
Dit zijn postmortale
veranderingen die zich binnen enkele minuten na het intreden van de
dood kunnen manifesteren tengevolge van circulatiestilstand,
ademhalingsstilstand en uitval van hersen- en zenuwfunctie.
NB.: Een grote flexibiliteit
van het lijk kan misleidend zijn, waardoor de indruk wordt gewekt, dat
er een botbreuk is zonder dat dit in werkelijkheid het geval is.
Deze veranderingen beginnen
binnen enkele uren (en in uitzonderlijke gevallen al direct
!) na het intreden van de dood.
Ad a. Lijkvlekken (livores)
Ontstaanswijze: Bij het intreden van de dood wordt de bloeddruk nihil.
Het bloed in de bloedvaten is dan alleen nog onderhevig aan de
zwaartekracht.
Lokalisatie: De laagstgelegen lichaamsdelen. Bij rugligging naar de
rugzijde van het lichaam, bij zijligging naar de flank etc. Drukplekken
blijven veelal bleek (rugligging: de gedeelten ter hoogte van de
schouderbladen, de billen en de kuiten; buikligging: de ribbenbogen,
knieschijven). Ook strakke kleding kan plaatselijk blanke drukplekken
veroorzaken.
- Tijdstip van ontstaan:
Ontstaan: 1,5 tot 2 uur PM (variatie 1 tot 4 uur);
Volledig: 6 tot 12 uur PM (variatie 1 tot 14 uur);
Omkeerbaar : volledig tot 4 uur PM (variatie 1,5 tot 6 uur) onvolledig
4 tot 10 uur PM;
Wegdrukbaar: volledig tot 8 uur PM (variatie 3 tot 12 uur) onvolledig 8
tot 12 uur PM (variatie 6 tot 15 uur).
- Kleur
In het algemeen paarsrood (vooral bij asfyxie).
Rozerood bij CO-intoxicatie (en bij cyanide-vergiftiging);
Grauwbruin bij nitraat- of chloraatintoxicatie
Bleek bij fors bloedverlies.
NB. De kleur kan opmerkelijk rood zijn bij vrieskoude en bij het liggen
in koelruimten.
Ad
b. Lijkstijfheid (rigor mortis)
- Ontstaanswijze:
Na tonusverlies treedt verstijving op van de spieren ten gevolge van
het verlies van ATP. Dit gebeurt geleidelijk en aanvankelijk zijn
spiergroepen nog te prikkelen.
- Tijdstip van ontstaan:
Begin: 1
tot 3 uur na overlijden (variatie 0-7 uur; o.a. afhankelijk van tonus,
temperatuur en belasting van het lichaam kort voor overlijden.
Voltooiing: na gemiddeld 8 uur (6- 10 uur)
Handhaving: 2 tot 3,5 dagen (0,5 tot 4
dagen)
Verdwijning: na 2 tot 3 dagen (1 tot 8
dagen)
Beïnvloeding: door temperatuur,
musculatuur, uitputting, wijze van sterven.
De gegevens omtrent de tijdstippen van ontstaan, voltooiing en
verdwijnen verschillen in diverse leerboeken.
De rigor begint in kleinere spiergroepen/gewrichten en van perifeer
naar centraal. Ze verdwijnen in de zelfde volgorde.
Het verschijnsel treedt traag op bij koude, snel bij
atletische en getrainde personen en nauwelijks na het overlijden van
utgeputte personen.
Gehele of gedeeltelijke katalepsie ( direct intredende rigor, de
periode met verslapping ontbreekt dan) kan voorkomen bij
verdrinking en bij suïcide met een wapen.
Bij grand mal insulten en strychninevergiftiging kan er sprake zijn van
extreme lijkstijfheid;
Bij kunstmatig opheffen van de rigor tijdens de periode van ontstaan
kan de rigor terugkomen. Bij kunstmatige opheffing na voltooiing van de
rigor zal deze niet meer terugkomen.
Ad
c: Afkoeling van het lichaam (algor mortis)
Na het intreden van de dood zal het lichaam geleidelijk de temperatuur
van de omgeving aannemen. In de praktijk dient er rekening te worden
gehouden met een groot aantal variabelen:
lichaamstemperatuur bij overlijden (vaak onbekend) en
omgevingstemperatuur
lichaamsbouw ( warmteafgifte langzamer bij adipositas of uitgebreid
oedeem)
lichaamsoppervlak (kinderen koelen sneller af; houding, ineengedoken of
languit)
(mate van) kleding, hoeveelheid dekens e.d.
tocht, vochtigheid, nattigheid, ondergrond (steen, hout, tapijt, matras)
De eerste uren (ca 1 tot 3 á 5 uur) na het overlijden daalt
de rectale lichaamstemperatuur niet. De rectale temperatuur kan zelfs
de eerste uren iets stijgen, waarna de praemortale temperatuur na 3
à 4 uur weer is bereikt. Lijkvlekken en lijkstijfheid kunnen
in deze fase een bijdrage leveren aan de benadering van het tijdstip
van overlijden. Vervolgens gaat de rectale temperatuur dalen, waarna
deze na ca 24 uur de omgevingstemperatuur benadert. In zijn
algemeenheid kan als vuistregel worden gesteld dat het lichaam bij een
omgevingstemperatuur van 15 tot 20 graden globaal een halve graad C per
uur daalt en bij een temperatuur van 0 tot 15 graden ongeveer 1 C per
uur. Vervolgens nadert de rectale temperatuur langzaam de
omgevingstemperatuur. Deze periode kan 60 - 70 uur duren, maar is zeer
variabel.
Na 24 uur hebben rectale metingen voor het bepalen van het tijdstip
waarop de dood is ingetreden nauwelijks zin. Wel kan het zin hebben in
de periode binnen 24 uur meerdere metingen te verrichten, rekening
houdend met de vele variabele factoren. Met behulp van het zgn.
nomogram van Henssgen (waarin de belangrijkste variabelen zijn
opgenomen) kan een vrij betrouwbare schatting van het tijdstip van
overlijden worden gegeven.
NB.:
Ad
d: indroging
Ten gevolge van indroging treedt troebeling van het hoornvlies op, dit
kan zeer snel optreden, soms met een bruine verkleuring. De zgn.
Sommerse vlekken berusten op verkleuring van de sclera ter hoogte van
de geopende lidspleet.
Lichaamsdelen, met name de uiteinden, kunnen zeer snel indrogen.
Deze veranderingen beginnen in
feite ook al snel, maar ze manifesteren zich meestal later dan II.
Ontbinding en rotting
Ontbinding en rotting zijn het gevolg van uit- en inwendige factoren en
staan sterk onder invloed van temperatuur- en vochtigheidscondities. Ze
zijn vooral het gevolg van chemisch-enzymatische en microbiologische
activiteit.
De snelheid en mate van ontbinding en rotting nemen toe door hogere
temperaturen (zomer; brandende kachels) en verlopen in het algemeen
sneller in de vrije lucht dan bij 'waterlijken' afhankelijk van de
hoeveelheid zuurstof. Indien de staat van ontbinding en gasvorming veel
sneller is ontstaan en sterker is uitgesproken dan door uitwendige
omstandigheden kan worden verklaard, dient de mogelijkheid van
gasgangreen of andere septische processen als doodsoorzaak te worden
overwogen. Ontbinding gaat langzamer bij het gebruik van antibiotica en
bij diverse vergiftigingen.
NB.: Op plaatsen waar het colon dicht onder de buikwand ligt (bij de
liezen en onder de rechter ribbenboog) kunnen gedurende de eerste dagen
na het intreden van de dood blauwgroene en groenrode verkleuringen
ontstaan: ontbindingsverschijnselen. Hierbij is verwarring mogelijk met
intravitaal opgelopen haematomen.
Mummificatie
In gevallen waarbij het lijk is blootgesteld aan droge warme lucht c.q.
luchtstroom kunnen de normale biologische processen zodanig geremd
worden dat snelle indroging de weke delen verhardt en conserveert.
Adipocire
Adipocire is een proces waarbij het lichaamsvet verandert in een
wasachtige, vaste, deels wat brokkelige geelwitte massa (verzeping van
het vet). Dit proces vindt vooral plaats onder omstandigheden waarbij
het milieu vochtig is, met name bij waterlijken en begraving in
vochtige grond.
Maceratie
Maceratie is intra-uterine postmortale verandering welke de foetus
ondergaat na intra-uterine vruchtdood.
In die gevallen waarbij de
oorzaak van het overlijden als niet-natuurlijk aangemerkt wordt, de
behandelend arts twijfelt over de aard van de doodsoorzaak of de
behandelend arts niet voorhanden is, wordt de gemeentelijk lijkschouwer
gevraagd de lijkschouw te verrichten. De gemeentelijk lijkschouwer mag
de lijkschouw verrichten, wanneer vast staat dat hij de laatste twee
jaar geen 'genees-, heel- of verloskundige raad of bijstand' heeft
verleend aan de overledene of de moeder van het doodgeboren kind.
Daarnaast mag er tussen deze en de lijkschouwer geen bloed- en of
aanverwantschap tot in de derde graad of een huwelijk bestaan.
Het vaststellen van de dood is
geen taak van de lijkschouwer. Alleen indien het vaststellen van de
dood onmiddellijk gevolgd kan worden door de eigenlijke lijkschouw, kan
de lijkschouwer hiervoor ingeschakeld worden. Voorts kan de
gemeentelijk lijkschouwer soms behulpzaam zijn bij het vaststellen van
de identiteit van de overledene door een lichaamsbeschrijving en
beschrijving van specifieke kenmerken zoals littekens, tatoeages e.d.
op te stellen. Identificatie is overigens de verantwoordelijkheid van
de politie.
Soms is twijfel mogelijk of de dood is ingetreden. De pupillen zijn dan
nog rond en niet vervormbaar. Het vaststellen van de dood blijkt in de
praktijk veelal zonder (grote) problemen mogelijk. In een aantal
gevallen kunnen problemen rijzen, met name in die gevallen waarbij
sprake is van een zogenoemde schijndood.
Met deze mogelijkheid moet rekening worden gehouden bij gevallen van
elektrocutie, verdrinking, afkoeling (hypothermie), geweldsinwerking op
de hals (bijv. wurging), zeer ernstige traumatische shock en bij
vergiftiging door alcohol, slaapmiddelen en andere stoffen die een
deprimerende werking hebben op het centrale zenuwstelsel (barbituraten,
narcotica, drugs e.d.).
Het vaststellen van de dood bij
iemand die (nog) beademd wordt (i.v.m. orgaantransplantatie), is een
zaak voor een neuroloog. De schouwarts dient wel na te gaan op welke
wijze de hersendood is vastgesteld. De criteria voor hersendood zijn:
het niet reageren op pijnprikkels, het niet kunnen opwekken van
hersenstam reflexen, geen spontane ademhaling na voorbeademing met
zuiver zuurstof (apnoe-test), geen nystagmus nadat warm water in de
gehoorgang is gegoten, en twee maal een iso-elektrisch EEG met een
tussenpoos van zes uur. In sommige landen is ook een cerebraal
angiogram vereist (in Nederland op medische indicatie).
In alle gevallen waarin het
justitiële beleid afhankelijk is van de waarnemingen van de
gemeentelijk lijkschouwer, dient het lijk ontdaan te worden van alle
kleding en van top tot teen te worden onderzocht.
Beoordeel de aanwezigheid van lijkvlekken (localisatie;
wegdrukbaarheid), lijkstijfheid, mate van ontbinding en eventueel
temperatuur. Met name bij het (nog) niet bekend zijn van de identiteit
is het van belang een beschrijving te geven van het geslacht, de
lengte, het gewicht, de huidskleur, de beharing, de kleur van de ogen
en de bijzondere kenmerken (lichaam: snor, baard; sieraden; littekens,
moedervlekken; pigmentaties; haemangiomen; tatoeages; etc.) Noteer
daarnaast, samen met de politie, de kleding, sieraden en de eventuele
aanwezigheid van een bril of lenzen. Fotografische vastlegging verdient
overigens de voorkeur.
Bekijk vervolgens het oppervlak van het gehele lichaam systematisch.
Zoek met behulp van palpatie en percussie naar orgaanvergrotingen,
botbreuken, onderhuidse luchtophopingen etc.
Bij het aanwezig zijn van letsels is het van belang deze nauwkeurig te
beschrijven:
Bij een lijkschouw ter plaatse
is het, na het vaststellen van de dood, van belang te letten op de
ligging van het lijk, de kleding, tekenen van geweld, sporen van
overmatig medicijn/drugs/alcoholgebruik en andere bijzonderheden (b.v.
de geur).
Belangrijke details bij lijkschouw kunnen kleine haematomen zijn, die
de plaats van een verborgen fractuur markeren of bloed uit oor en neus,
als uiting van een schedelbasisfractuur.
Misleidend kan een grote flexibiliteit van het lijk zijn, waardoor de
indruk wordt gewekt, dat er een botbreuk is zonder dat dit in
werkelijkheid het geval is. Een nekfractuur b.v. is moeilijk te
diagnostiseren. De grote beweeglijkheid bij palpatie geeft geen
uitsluitsel en men moet met deze diagnose heel voorzichtig zijn.
Twee of vier donker gekleurde half cirkelvormige afdrukken op de
voorzijde van de romp, kunnen veroorzaakt zijn door de elektroden van
een defibrillator bij een poging tot reanimatie. (Ook gebroken ribben
kunnen het gevolg zijn van de reanimatiepoging.)
Andere misleidende fenomenen zijn:
Uitwendige lijkschouw kan geen
antwoord geven op de vraag, of een verbrandde, verkoolde persoon is
overleden door brand, of al overleden was toen de brand begon.
Inwendige lijkschouw moet hier uitkomst brengen, door na te gaan of er
door ademen tijdens de brand de longen vol kwamen met
roetdeeltjes. Aanwezigheid van roet in de mond-keelholte kan
wel een aanwijzing zijn dat de overledene tijdens de brand nog in leven
was.
Het schouwverslag dient uit een
drietal onderdelen te bestaan:
Het doel van de uitwendige
lijkschouw valt uiteen in twee delen:
Alhoewel er geen duidelijke
richtlijnen voorhanden zijn voor eisen die aan de uitvoering van de
schouw mogen worden gesteld, bestaat er wel consensus over het
volgende: er dient een grondige inspectie van het geheel ontklede
lichaam plaats te vinden waarbij ook de plaats waar het lijk is
aangetroffen in ogenschouw moet worden genomen. Het verdient sterk de
voorkeur de schouw te verrichten op de plaats waar de overledene is
gevonden. Bij de lijkschouw ter plaatse is het bij een mogelijk
misdrijf van groot belang alle sporen intact te laten. Bij een
dergelijke lijkschouw is het daarom zaak te overleggen met de technisch
rechercheurs over de te verrichten handelingen en het lopen over het
terrein van de misdaad oftewel "Plaats Delict", kortweg P.D.
Sommige zaken dulden geen uitstel, zoals het vaststellen van de dood en
eventueel een lichaamstemperatuur-meting. De rest van de schouw moet
soms later afgemaakt worden, nadat de politie zijn onderzoek ter plekke
heeft afgerond al of niet op een beter geoutilleerde plaats.
Het eventueel afnemen van bloed voor toxicologisch onderzoek vindt ook
plaats in overleg met de T.R. De beste indicatie voor bloedafname is
het voorkomen van een sectie. De beste plaats voor een postmortale
venapunctie is daarbij de V. femoralis. Mocht er speciaal materiaal
nodig zijn, b.v. extra lange of dikke naalden, dan moet dit uit het
(dichtstbijzijnde) ziekenhuis betrokken worden.
Indien de lijkschouwer niet zeker is van een natuurlijke dood, wordt
een verslag afgegeven t.b.v. de OvJ via het wettelijk
voorgeschreven "art. 10- formulier". Hoewel het een medisch verslag is,
dienen medische termen vermeden te worden. Conclusies die niet met
zekerheid gesteld kunnen worden moeten vermeden worden. Vaak is het het
beste om termen te gebruiken als "passend bij ......”
Voorbeeld: de f.g. wordt geroepen bij een man die ogenschijnlijk om het
leven is gebracht door messteken. Bij het verslag kan dan genoteerd
worden dat de politie een bebloed mes heeft gevonden, waarvan de
afmetingen passen bij de uitwendig zichtbare verwondingen.
Of: er wordt een verbrijzeld lichaam gevonden langs de spoorweg.
Genoteerd kan worden dat de verwondingen passen bij zeer zwaar
uitwendig geweld en dat deze kunnen passen bij aanrijding door een
trein.
Het is dus toegestaan kort de gegevens van de politie te vermelden voor
zover van belang bij het verslag.
Ook van belang zijn de gegevens van behandelend artsen. Probeer deze
dus te achterhalen en vermeld deze in het verslag.
Indien men als lijkschouwer
geconfronteerd wordt met een lijkschouw zonder dat de politie aanwezig
is (geweest) en men meent een verklaring van natuurlijk overlijden niet
af te kunnen geven, zal overleg met de politie noodzakelijk zijn. Het
heeft dan geen zin de OvJ te waarschuwen, omdat deze toch eerst het
rapport van de politie afwacht.
Hierop is één uitzondering (afgezien van
euthanasie): het onderzoek bij overlijden na een medische ingreep,
waarbij er mogelijk sprake is van een verwijtbare fout. N.B.
indien het overlijden na een medische ingreep tot de normale risico's
behoort, is er mogelijk wel sprake van natuurlijk overlijden. Dit is
niet het geval bij foutief medisch handelen of technisch falen van
apparatuur. Indien men als lijkschouwer geroepen wordt bij een
overledene zonder dat de politie hierbij betrokken is (men wordt bijv.
geroepen door een huisarts of mortuariumpersoneel) en er bestaat geen
twijfel t.a.v. natuurlijk overlijden hoeft de politie niet geroepen te
worden. Ook overleg is niet nodig. Ook een rapportage aan de OvJ is
niet nodig. Het volstaat een verklaring van natuurlijk overlijden af te
geven.
Bij mensen die (schijnbaar)
levenloos uit het water gehaald worden, terwijl zij kennelijk kort
tevoren te water zijn geraakt, moet de afweging gemaakt worden of zij
overleden zijn dan wel slechts onderkoeld. Bij twijfel geldt het
adagium: een dode patiënt is pas dood als hij warm en dood is!
Ook bij personen die in de buitenlucht onderkoeld zijn geraakt speelt
dit probleem. In vrieskou kan een schaars gekleed personen binnen
enkele uren tot 30 graden of lager afkoelen.
Uiteraard is het tempo waarin iemand afkoelt van veel factoren
afhankelijk: een groot en dik persoon koelt minder snel af dan een
klein en mager persoon (met name kinderen zullen sneller afkoelen).
Tocht en vocht, kleding, ondergrond, stroming, alcoholgebruik
(vaatverwijding) spelen ook hier een rol.
Bij niet al te koud water (b.v. meer dan 10 graad Celsius) treedt de
dood pas in na gemiddeld 4 uur.
Indien de lichaamstemperatuur na een wat langer verblijf aanmerkelijk
lager is dan verwacht mag worden op grond van de grafiek op pagina 38
mag men concluderen dat de dood is ingetreden t.g.v. verdrinking of dat
de overledene zelfs al dood was voordat hij/zij te water raakte.
N.B. Hypothermie kan aanvankelijk ook een beschermende werking hebben:
een nog levend persoon die zeer snel sterk afkoelt zonder voorafgaand
zuurstofgebrek, kan langdurige onderdompeling (b.v. een half uur)
overleven wegens het vertraagde metabolisme. Dit effect zal vooral
kunnen optreden bij kinderen (relatief groot lichaamsoppervlak) en koud
water.
Kleine waarnemingen kunnen
uiteindelijk van groot belang zijn. Dit weten de technisch rechercheurs
ook. Vandaar dat zij steeds vaker werken volgens standaarden. Ook de
gerechtelijk pathologen werken bij hun secties volgens een checklist.
Die zorgt ervoor dat er in principe niets vergeten wordt. Dit bevordert
de kwaliteit en de zorgvuldigheid: een goede reden voor lijkschouwers
om ook zo’n lijst te gebruiken. De schouw kan dan
gestructureerd plaatsvinden, evenals de verslaglegging daarna. Door de
verslaglegging enige tijd te bewaren kunnen vragen achteraf
gemakkelijker beantwoord worden.
Hieronder volgt de lijst.
De volgende formulieren spelen
een rol:
| Situatie | Formulier |
In
te vullen door: |
Bestemd
voor: |
| Natuurlijke dood |
A-verklaring (wit) |
Behandelend arts |
Burgerlijke stand |
| Natuurlijke dood |
A-verklaring (blauw) |
Gemeentelijk
lijkschouwer |
Burgerlijke stand |
| Elk overlijden |
B-formulier (geel) |
Schouwarts (beh.
of G.L.) |
CBS (al of niet via B.S.) |
| Twijfel (1) |
“Art.
10-formulier” |
Gemeentelijk lijkschouwer |
Officier van justitie |
| Niet-natuurlijke dood (2) |
“Art.
10-formulier” |
Gemeentelijk
lijkschouwer |
Officier van justitie |
| Waarschuwing n.n.d. |
“waarschuwing” |
Gemeentelijk lijkschouwer |
Burgerlijke stand |
| Lijkvinding (3) |
Aangifte van lijkvinding |
HovJ (politie) |
Officier van justitie |
| Begraven of cremeren |
Verlof tot begraven |
Burgerlijke stand |
Begrafenisondernemer |
| Verklaring van geen
bezwaar tegen begraven |
Officier van justitie |
Burgerlijke stand |
|
| Euthanasie |
“modelverklaring”
(4) |
Gemeentelijk lijkschouwer |
Officier van justitie |
| “modelverslag” |
Behandelend arts |
Toetsingcommissie (via
gem. lijkschouwer) |
|
| Levensbeëindiging
zonder verzoek |
Speciaal art.10-formulier |
Gemeentelijk lijkschouwer |
Officier van justitie |
| Uitstel begraven |
GGD-arts |
Burgerlijke stand |
|
| Vervoer naar buitenland |
Laissez-passer |
Noten:

In de uitoefening van zijn functie moet de gemeentelijk lijkschouwer
de volgende functionarissen en instanties kunnen bereiken en dus (in
ieder geval) over hun telefoonnummer beschikken. Van sommige instanties
is het bezoekadres, postbusnummer, faxnummer of e-mailadres ook
relevant.
Elke dienst dient voor de dienstdoende forensisch geneeskundige een
lijst met telefoonnummers van de volgende personen of instanties
beschikbaar te hebben en deze lijst actueel te houden:
Voor de forensisch geneeskundige die zich ook bezig houdt met
arrestantenzorg zijn de volgende instanties van belang.
De gerechtelijke geneeskunde beoogt het toepassen van de geneeskunde
ten behoeve van rechtspraak en criminologie of misdaadkunde, waarvan de
criminalistiek of opsporingsleer een onderdeel is. Het is verder haar
taak wetenschappelijk onderzoek te doen naar aanleiding van
vraagstukken van algemene of speciële aard, welke bij
gerechtelijke geneeskundige expertises naar voren (zijn) (ge)komen. In
het Wetboek van Strafrecht (in België: Strafwetboek) staat welke
handelingen en gedragingen als, misdrijf worden beschouwd. De wijze
waarop deskundigen in het gerechtelijk (voor)onderzoek kunnen worden
ingeschakeld is neergelegd in het Wetboek van Strafvordering. De
bevoegdheden tot benoeming van deskundigen berusten bij de
rechter-commissaris (in België: onderzoeksrechter). In
spoedeisende gevallen kan ook de officier van justitie (in België:
procureur des konings) tot een dergelijke benoeming overgaan. Van een
arts kan deskundige hulp worden gevraagd bij gerechtelijk onderzoek
inzake misdrijven, gericht tegen het leven (moord, doodslag, doden van
de vrucht van een zwangere, kindermoord en kinderdoodslag),
mishandeling, zedenmisdrijven (aanranding, verkrachting) en zgn.
schuldmisdrijven (grove schuld): misdrijven door onvoorzichtigheid of
nalatigheid. Behalve in strafzaken kan ook in burgerlijke rechtszaken
onderzoek door medische deskundigen worden aangevraagd (bijv. bij
vaderschapsonderzoek en onderzoek naar invaliditeit bij acties tot
schadeloosstelling. Het gebied dat de gerechtelijke geneeskunde
bestrijkt wordt bepaald door de wetten van het land waarin zij wordt
toegepast. De wijze waarop gerechtelijk geneeskundig onderzoek kan
worden verricht is afhankelijk van de wetenschappelijke vorderingen van
de geneeskunde. De strekking van de wetten, voor zover die voor de
gerechtelijke geneeskunde van belang zijn, is in de loop van de tijden
weinig of niet veranderd. Zij is in de westerse landen ontleend aan de
oudtestamentische geboden. Veranderingen in het aspect van de
gerechtelijke geneeskunde worden dan ook vooral bepaald door
vorderingen op het gebied van de geneeskunde. Een uitvloeisel hiervan
is dat de forensische psychiatrie (beoordeling van de geestestoestand
van de verdachte en het geven van medisch advies aan de rechter) een
afzonderlijke tak van wetenschap is geworden. Tot verdere splitsing is
het evenwel nauwelijks gekomen. Opsporing van vergiften (gerechtelijke
toxicologie) wordt verricht door daartoe gespecialiseerde apothekers of
scheikundigen. Het bepalen van bloedgroepen aan de hand van bloedsporen
of bloedmonsters kan het beste aan de seroloog worden toevertrouwd. Het
onderzoek van kleding op sporen van misdrijf, vuurwapens enz. wordt
verricht door scheikundigen, wapenexperts e.a. Afgezien van een zekere
differentiatie, ontstaan door de eisen die de moderne
onderzoekstechniek stelt, is er verder in de gerechtelijke geneeskunde
(met uitzondering dus van de forensische psychiatrie) geen
werkverdeling gekomen. Kortom: de gerechtelijke geneeskunde dient ter
voorlichting van de rechtspraak.
|
Doodslag |
Bij de dader wordt (ogenblikkelijke) welbewuste opzet het slachtoffer te hebben willen doden verondersteld. Is de dood niet gevolgd, dan spreekt men van poging tot doodslag. |
|
Moord |
De opzet te doden wordt voorafgegaan door kalm beraad gedurende welke contramotieven zich hebben kunnen doen gelden, zgn. voorbedachte rade of doden in koelen bloede, welke omstandigheid aan de doodslag het karakter van moord verleent en strafverzwarend is. Treedt de dood niet in, dan is sprake van poging tot moord. |
|
Mishandeling al dan niet de dood tot gevolg hebbende. |
De dader heeft het oogmerk gehad het slachtoffer letsel (lichamelijk en geestelijk) toe te brengen; er is geen opzet tot doden geweest. Bij ernstige letsels, die een belangrijke mate van invaliditeit tot gevolg hebben, wordt gesproken van zware mishandeling. Heeft evenwel het toegebrachte letsel een door de dader niet beoogd dodelijk gevolg, dan kan na zulk een afloop geen sprake zijn van doodslag omdat de primaire opzet tot doden niet heeft bestaan. Kinderdoodslag kan alleen worden begaan door een moeder ten opzichte van haar pasgeboren kind en wordt aangenomen indien zij 'onder de werking van vrees voor de ontdekking van haar bevalling' haar kind 'bij of kort na de geboorte opzettelijk van het leven berooft'. |
|
Kindermoord |
Deze wordt aangenomen indien om analoge redenen tevoren het besluit is genomen het kind te doden. |
De genoemde misdrijven worden samengevat als zgn. opzetmisdrijven.
Dit als tegenstelling tot de zgn. schuldmisdrijven, waarbij geen opzet
tot toebrengen van letsel of tot veroorzaken van de dood heeft bestaan,
doch waarbij deze gevolgen aan (strafbare) schuld van degene die ze
teweegbracht kunnen worden geweten. Er moet sprake zijn van grove
schuld aleer de rechter strafbare schuld zal aannemen, met andere
woorden, overtuigend moet blijken dat de dader van het schuldmisdrijf
een grove en vermijdbare fout heeft gemaakt en dat daardoor de bedoelde
gevolgen zijn ingetreden. Grove schuld kan ook voortkomen uit het
nalaten van noodzakelijke handelingen (bijv. in het geval van de
spoorwegwachter die nalaat de overwegbomen te sluiten). Deze enkele
voorbeelden wijzen erop dat de gerechtelijke omschrijving van een
doodsoorzaak een andere is dan de (gerechtelijk) geneeskundige en dat
het hanteren van eerstgenoemde categorie niet geschiedt door de arts
maar door gerechtelijke autoriteiten, al dan niet voorgelicht door
deskundigen.
Misdrijven tegen de zeden; zij omvatten een reeks van handelingen op
seksueel gebied. Genoemd kunnen worden: exhibitionisme (openbare
schennis van de eerbaarheid), pornografie, verkrachting, uitoefenen van
geslachtelijke gemeenschap met een vrouw die bewusteloos is of in staat
van onmacht verkeert, buitenechtelijke gemeenschap hebben met een
minderjarige vrouw, door geweld of bedreiging iemand dwingen tot plegen
of dulden van ontucht, plegen van ontucht met minderjarigen van
hetzelfde geslacht, overhalen van minderjarigen tot geslachtelijke
gemeenschap, er een beroep van maken anderen met derden tot het plegen
van ontucht te bewegen uit winstbejag (souteneurs), vrouwenhandel,
opzettelijk in behandeling nemen van een vrouw, of haar deze te doen
ondergaan, en daarbij te kennen geven dat daardoor zwangerschap kan
worden verstoord (aborteurs) enz. In Nederland zijn zgn.
abortusklinieken opgericht; daar wordt door artsen zwangerschap
afgebroken indien niet verder gevorderd dan drie maanden, op sociale
indicatie. Een wettelijke regeling van het zgn. abortusvraagstuk is in
voorbereiding. Tot zover is in verband hiermede het aantal gevallen van
criminele (d.w.z. door niet-medici verrichte) abortus met dodelijke
afloop vrijwel tot nul teruggelopen.
De medische deskundige in foro heeft tot taak de rechter een
onpartijdig deskundig oordeel te geven. Uit het voorgaande kan worden
begrepen dat een gerechtelijk geneeskundige in algemene zin met de
stand van de geneeskundige wetenschappen op de hoogte dient te zijn,
dat de pathologische anatomie en in toenemende mate ook de
pathologische fysiologie belangrijke grondslagen zijn waarop
medisch-forensische ontwikkeling kan worden gebouwd en dat hij kennis
van de toxicologie in de ruimste zin van het woord (kliniek,
farmacologie, pathologische morfologie, opsporing van vergiften) en
ervaring in herkennen en beoordelen van oorzaak en aard van
verwondingen en de eventuele gevolgen daarvan dagelijks nodig zal
hebben. De gerechtelijke geneeskunde is een zeer oude wetenschap.
Overal waar een bepaalde rechtsorde was ontstaan kwam zij tot
ontwikkeling. Een mijlpaal was de Constitutio Criminalis Carolina,
waarin ruim vier eeuwen geleden Keizer Karel V voor zijn gehele rijk
eiste dat bij berechting van misdrijven het oordeel van een medisch
deskundige moest worden gehoord. Italië vooral is de bakermat
geweest voor de gerechtelijk geneeskundige wetenschap (Fideli,
Zacchia). De ontwikkeling van de natuurwetenschappen in de negentiende
eeuw heeft uiteraard ook op de gerechtelijke geneeskunde invloed gehad
en tot haar ontwikkeling bijgedragen.
De dood treedt in als de levenswichtige functies, irreversibel zijn
uitgevallen. Onmiddellijk waarneembaar zijn verlies van bewustzijn,
sensibiliteit en motiliteit en van bloedsomloop en ademhaling. In geval
van kunstmatige beademing en bloedsomloop is een permanent negatief
elektro-encefalogram -(ten minste 24 uur) het criterium van,
(cerebrale) dood. Doordat de intraoculaire druk afneemt is het mogelijk
door palpatie van de oogbol de pupil te vervormen (een zeer vroegtijdig
aanwezig symptoom waarmee de dood kan worden vastgesteld). De daarop
volgende lijkverschijnselen zijn lijkvlekken, lijkstijfheid, afkoeling,
indroging, ontbinding, rotting en adipocire. Lijkvlekken (livores)
blauwrode tot paarsblauwe vlekken aan de laagst gelegen delen (meestal
de rug); de hoogst gelegen delen (meestal dus de borstzijde) worden,
bleek.' Lijkvlekken kunnen vanaf ongeveer een kwartier tot een half uur
na het intreden van de dood worden verwacht en zijn door druk met
vinger of plessimeter gedurende drie tot vier uren (soms nog langer) na
de dood geheel weg te drukken. Wordt het lijk de eerste (vier) uren in
een andere houding gebracht, dan kunnen op plaatsen die dan het laagst
zijn komen te liggen nieuwe lijkvlekken ontstaan, de andere lijkvlekken
kunnen dan geheel of ten dele weer verdwijnen. Bloedindikking vooral
zou wegdrukbaarheid en verplaatsbaarheid van lijkvlekken in toenemende
mate bemoeilijken (vanaf ongeveer zes tot twaalf uur na intreden van de
dood). Uitgebreidheid en intensiteit van de vlekken zijn afhankelijk
van de hoeveelheid bloed (bij ernstige anemie kunnen zij zelfs
ontbreken), van het bestaan van aderlijke bloedstuwing en ook van het
in meer of mindere mate gestold zijn van het bloed. Op dezelfde wijze
als in de huid kunnen ook inwendig veranderingen van de bloedverdeling
ontstaan: eventueel hypostasen (bijv. in de longen). De meestal
paarsblauwe tot paarsrode kleur van lijkvlekken ontstaat doordat als
gevolg van agonale hypoxie aan de bloedkleurstof geen zuurstof meer
gebonden is. Bij vergiftiging door koolmonoxide (co-hemoglobine) en
door cyaanverbindingen kunnen helderrode lijkvlekken optreden. Deze
rode kleur kan ook worden aangetroffen indien het lijk gedurende enige
uren aan lage temperaturen is blootgesteld. De huid is dan meer
doorlaatbaar voor zuurstof. Een grauwbruine kleur van de lijkvlekken
kan ontstaan indien methemoglobine is gevormd (vergiftiging door bijv.
kaliumchloraat). Na dodelijk verlopen asfyctische toestanden wordt,
doordat post mortem zeer spoedig ontstolling kan optreden, het bloed
meestal in vloeibare toestand aangetroffen, hetgeen tot het ontstaan
van zeer duidelijke lijkvlekken aanleiding kan geven.
Onmiddellijk na de dood zijn de spieren meestal verslapt; daarop
(meestal na één tot twee uur, soms dadelijk, soms later)
volgt de ontwikkeling van rigor mortis (waarschijnlijk door een
postvitale anaërobe contractietoestand als gevolg van afbraak door
enzymwerking van adenosinetrifosfaat, ATP), gevolgd door proteolyse van
de spiereiwitten, waardoor de rigor wordt opgeheven. De hartspier toont
veelal reeds ongeveer een half uur na de dood rigor, klaarblijkelijk
doordat bij de relatief hogere temperatuur van het inwendige van het
lijk op enzymwerking berustende omzettingen sneller verlopen dan in de
vlugger afkoelende extremiteitspieren. Meestal verstijven de spieren
van kaak en nek het eerst. Van daaruit verbreidt het verschijnsel zich
over andere spieren (Wet van Nysten); na ongeveer zes tot acht uur is
de rigor mortis algemeen. Zij bestaat des te langer naar gelang zij
later na de dood tot ontwikkeling is gekomen. De rigor verdwijnt
meestal in dezelfde opeenvolging als zij is ontstaan. Omstreeks de
derde dag na de dood wordt de rigor weer opgeheven. Rotting (bij zgn.
septische lijken) bespoedigt het verdwijnen van rigor in sterke mate.
Fixatie van lichaamshouding op het ogenblik van overlijden -
waargenomen indien kort voor de dood zware lichamelijke inspanning
heeft plaatsgevonden of indien aan, het overlijden krampen zijn
voorafgegaan (tetanus, strychninevergiftiging).
Gladde spieren ondergaan lijkverstijving vroeger dan dwarsgestreepte:
rigor van de gladde spieren van de huid kan aan het lijk het
verschijnsel van kippenvel en rimpeling van de scrotaalhuid doen
ontstaan.
Na de dood staat het lichaam warmte af aan de omgeving; de snelheid
van deze warmteafgifte is van vele factoren afhankelijk. Een kinderlijk
(relatief groter oppervlak) koelt meestal sneller af dan dat van een
volwassene. Sterke ontwikkeling van de (onderhuidse) vetweefsels en
bedekt zijn van het lijk (kleding, dekens enz.) gaan afkoeling tegen.
Vier tot vijf uur na de dood kan de afkoeling met de hand duidelijk
worden waargenomen; na ongeveer twaalf uur is het lijk meestal koud. De
afkoeling vindt niet aan alle lichaamsdelen even snel plaats:
extremiteiten zijn meestal eerder koud dan bijv. het abdomen.
Door vochtverlies als gevolg van verdamping treedt indroging op. Dit
veroorzaakt mat worden van de cornea en droog en hard worden van het
slijmvlies van de lippen en van (oppervlakkige) schaaf- en kneuswonden
van de huid. 0p indroging van de huid berust ook het 'groeien' van de
(baard- of snor)haren na de dood: de haren zijn ogenschijnlijk langer
doordat de ingedroogde huid zich terugtrekt.
Mummificatie is een extreme vorm van indroging; zij ontstaat indien het
lijk is blootgesteld aan warme en uiterst droge lucht (bijv. lijken in
de woestijn).
Is de rigor mortis een postvitaal katabolisch proces door
enzymwerkingen, de autolyse is de verandering van de cellulaire
structuur met als laatste stadium het volledig verdwijnen van de cellen
door anaërobe werkzaamheid van eigen fermenten en enzymen. Door
fermentatieve anaërobe glycolyse ontstaat melkzuur met als gevolg
postmortale acidose; door daaropvolgende proteolyse onstaat postmortale
alkalose. Autolyse van organen kan worden waargenomen bij de in utero
gestorven vrucht. Aan het lijk kan dikwijls vroegtijdige autolyse aan
pancreas en bijniermerg voorkomen. Postmortale proteolyse van het
peridontium kan veroorzaken dat aanwezige tanden na de dood los gaan
zitten of uitvallen. Na postmortale hemolyse kan diffusie van
bloedkleurstof naar de weefsels ontstaan. Groene verkleuringen van de
huid, meestal het eerst waar te nemen aan de buikwand, boven de
liesstreek, zouden berusten op afzetting van verdohemoglobine: Hb
waarvan de pyrrolring bij de amethyleenkring is geopend, een
fysiologisch voorstadium van bilirubine. Door inbibitie met
bloedkleurstof kan de iris van kleur veranderen (van betekenis bij
identificatie!); de intima van de slagaderen kan lakrood worden en het
endocard, evenals de wand van de aderen, flets paarsrood.
Ontstaat door reductieprocessen als gevolg van werkzaamheid van
bacteriën en andere micro-organismen. In het lichaam fysiologisch
aanwezige bacteriën (in de darm: coli, proteus, in de luchtwegen
en op de huid spelen hierbij een rol. Bij infectieuze ziekten kunnen
ook pathogene bacteriën het proces inleiden en daardoor
bevorderen. Doordat de tijdens het leven bestaande afweermechanismen
zijn vervallen kunnen bacteriën en lagere schimmelsoorten ook van
buitenaf het lichaam binnendringen en zich daarin evenals de eerder
genoemde bacteriën gaan vermeerderen en verspreiden. Rotting gaat
gepaard met vorming van afbraakproducten waarvan verscheidene gasvormig
zijn. Door deze gassen kan het lijk sterk gaan opzetten; onder de huid
en in de organen kunnen gasblazen ontstaan (rottingsemfyseem): door
toenemende intraabdominale gasdruk kan zelfs prolapsus uteri voorkomen;
een vrucht kan post mortem worden uitgestoten (zgn. Sarggeburt).
Behalve gasvorming vindt bij rotting ook verweking van organen en
weefsels plaats: ten slotte blijven alleen skelet, gebit en hoofdharen
over (gemiddeld na zeven tot tien jaren). Bij hoog watergehalte
(hydrops) en ook de aanwezigheid van veel bacteriën (septische
aandoeningen) kunnen de rottingsprocessen veel sneller verlopen.
Uitdroging, anemie en lage buitentemperatuur werken vertragend op de
ontbinding. Rotting begint meestal later na de dood dan autolyse; zij
kunnen echter ook gelijktijdig voorkomen.
Adipocire (lijkenwas): verzeping van lichaamsvetten die ontstaat bij
vochtige kalkhoudende bodem of hoge stand van het grondwater en geringe
mogelijkheid van toetreding van zuurstof.
De ontwikkeling van de lijkverschijnselen en het verloop van de
ontbindingsprocessen in het lijk maken een voorzichtige schatting van
het tijdstip van overlijden mogelijk. Gedurende de eerste twaalf uur na
de dood biedt het rectaal meten van de lichaamstemperatuur daarvoor
enig houvast; per uur zou de temperatuur in het rectum dan gemiddeld
ca. 1 graad C dalen (enige bepalingen om het uur ten einde een indruk
van het temperatuurverval te krijgen, zijn gewenst). Ten aanzien van
ontbindingsprocessen is ook van belang of het lijk zich in de grond, in
het water of in de open lucht bevindt.
Geslacht, lichaamslengte, ontwikkeling van het haarkleed, kleur van
de ogen, vingerpatroon (dactyloscopie), gebitsstatus (gegevens van
tandartsen), littekens, tatoeages, naevi en bloedgroep. Ook ziekelijke
afwijkingen (bijv. skeletafwijkingen) en tijdens het leven gemaakte
röntgenfoto's kunnen voor het vaststellen van de identiteit
belangrijk zijn. Voorts kledingstukken (soort, aard van de stof,
dessin, maat, merken enz.) en schoenen (maat). Van een geskeletteerd
lijk kan door meting van de lengte van de lange pijpbeenderen met
behulp van de door Pearson of door Dupertuis en Hadden ontworpen
formules de lichaamslengte binnen betrekkelijk nauwe grenzen worden
berekend.
Voor bepaling van het geslacht zijn bekken en femora het belangrijkst.
Voor leeftijdbepaling zijn gebit (bij het kind het stadium van
ontwikkeling: melkgebit, blijvend gebit; bij de volwassene tekenen van
slijtage van de kauwvlakken, retractie van het tandvlees) en skelet
(bij jonge personen de verhoudingen van de epifysaire schijven, bij
oudere personen ouderdoms afwijkingen, atrofische botverandering) van
belang.
De wet verlangt het maken van onderscheid tussen natuurlijke en
niet-natuurlijke dood (België: natuurlijke, verdachte of
gewelddadige dood); de arts moet bij overlijden van zijn patiënt
dus uitmaken of hij ervan overtuigd is dat aan dat overlijden een
natuurlijke oorzaak ten grondslag heeft gelegen. Deze verklaring
behoeft geen wetenschappelijk onomstotelijk feit te behelzen. Meestal
moet de arts afgaan op hetgeen hem bekend geworden is en hetgeen hij
zelf tijdens het leven van de patiënt heeft kunnen waarnemen. In
gevallen waarin de ziekteduur zeer kort is geweest zijn de beschikbare
gegevens dikwijls zo gering of zo weinig kenmerkend dat redelijkerwijs
omtrent de doodsoorzaak geen zekerheid kan worden gegeven. Onder
natuurlijke dood wordt begrepen overlijden als gevolg van natuurlijke
oorzaken: ziekten of ouderdom. Niet-natuurlijke dood betekent dat als
primaire oorzaak van het overlijden een werking van buitenaf op het
individu kan worden gevonden. Indien uitwendig geweld is teweeggebracht
door schuld of opzet van derden kan, blijkens het Wetboek van
Strafrecht, sprake zijn van een misdrijf. Misdrijf is ook het aanzetten
tot of behulpzaam zijn bij zelfmoord en een ander op diens verzoek van
het leven beroven. Een niet-natuurlijke dood behoeft geenszins op
misdrijf te berusten. Meer dan eens is gebleken dat een
niet-natuurlijke dood door de arts niet is herkend, bijv. bij
(heimelijke) vergiftiging. De ziekteverschijnselen die door
vergiftiging kunnen worden opgeroepen kunnen gelijkenis tonen met die
van een natuurlijke ziekte.
Chronische arsenicumvergiftiging: deze kan chronische darmcatarre,
soms met acute exacerbaties, polyneuritis en dermatosen veroorzaken,
waardoor afhankelijk van het syndroom dat het meest op de voorgrond
staat de patiënt bij internist, neuroloog of dermatoloog terecht
kan komen. Bij het zoeken naar de oorzaak kan de patiënt meestal
geen aanwijzingen geven omdat de oorzaak van zijn ziekte hem niet
bekend is. Thalliumvergiftiging: wordt ingeleid met in het algemeen
vage, algemene klachten: moeheid, lusteloosheid, paresthesieën,
pijnen in de benen en versnelde pols, die echter veelal geen bepaalde
oorzakelijke diagnose toelaten; dit vooral indien bij herhaling kleine
doses thallium zijn toegediend (urineonderzoek op thallium!). Bij acute
vergifting treedt na twee tot drie weken opmerkelijk sterke haaruitval
tot volledige kaalheid op.
Fosforvergiftiging: sinds invoer in Nederland van het fosforbevattende
rattenverdelgingsmiddel Rodent(r) verboden is zijn geen letale gevallen
meer waargenomen. Fosforvergiftiging gaat gepaard met geelzucht als
gevolg van degeneratieve leverbeschadiging. Na innemen van een
hoeveelheid die de dodelijke dosis overschrijdt komt het echter
herhaaldelijk voor dat de patiënt reeds overlijdt (omstreeks de
vijfde tot de achtste dag) voordat de icterus zich duidelijk heeft
voorgedaan. De voorafgegane klachten van maag en darm, gepaard gaande
met algemeen ziek-zijn, geven bijv. aanleiding tot de veronderstelling
'buikgriep'. Bij hevige maagpijn wordt ook wel gedacht aan maagulcus,
bij fatale afloop aan geperforeerd ulcus. Is het wel tot duidelijke
geelzucht gekomen en is daardoor de aandacht op de lever gevestigd, dan
kan door het acute beloop van de ziekte infectieuze hepatitis worden
verondersteld. In het merendeel van de gevallen van fosforvergiftiging
komt het overlijden dikwijls zeer onverwacht, nu eens voorafgegaan door
convulsies, dan weer door een kort durende comateuze toestand.
(Per)acute dodelijke vergiftiging, waarbij door het snelle beloop de
mogelijkheid van het waarnemen van symptomen veelal beperkt is (de in
allerijl geroepen arts treft de patiënt óf stervende
óf reeds dood aan) kan vooral bij oudere personen op een
natuurlijke dood gelijken doordat bijv. het abrupte levenseinde als
fatale verwikkeling van een eerder vastgesteld of
vermoed chronisch hart-
of vaatlijden kan worden uitgelegd.
Acute cyaankaliumvergiftiging, acute arsenicumvergiftiging en acute
vergiftiging door insekticiden (organische fosforverbindingen, bijv.
parathion) zijn hiervan voorbeelden. Acute dood door
heroïnevergiftiging is in het laatste decennium veelvuldig
voorgekomen. De (gemeentelijke) lijkschouwer, die, als de behandelende
arts geen verklaring voor de doodsoorzaak heeft kunnen geven of indien
de overledene niet geneeskundig is behandeld dan wel om andere redenen
(politie, justitie) opdracht krijgt tot verrichten van de doodsschouw
(uitwendig!), staat dikwijls voor dezelfde diagnostische moeilijkheden.
Ook bij overlijden als gevolg van mechanisch geweld kunnen zich de
sporen van het geweld aan waarneming onttrekken. Meermalen komt het
voor dat na een (verkeers)ongeval uitwendig aan het lijk geen of
nauwelijks letsels zijn waar te nemen, terwijl de inwendige organen
uitgebreide en talrijke letsels hebben ondergaan die de dood hebben
veroorzaakt.
Deze kunnen in het algemeen waardevol zijn voor het vaststellen van
de doodsoorzaak maar ook wel eens misleidend (een man die bekend stond
als lijdend aan een 'zwak' hart werd dood langs de weg gevonden, daar
generlei letsel te zien was werd hartverlamming verondersteld; obductie
leerde dat zware compressio thoracis door overrijding had
plaatsgevonden en dat er geen ziekelijke orgaanveranderingen waren).
Het omgekeerde, nl. dat bij natuurlijke dood een niet-natuurlijke
oorzaak wordt vermoed, komt waarschijnlijk nog meer voor. Dit betreft
nogal eens gevallen van plotseling overlijden van een ogenschijnlijk
gezond persoon (Frans: mort imprévue, Engels: unexplained sudden
death). Telkenmale blijkt voor te komen dat bij ernstige slepende
ziekten de patiënt geen of nagenoeg geen klachten heeft geuit en
dat eigenlijk het overlijden het eerste manifeste symptoom is geweest.
Voorbeelden:
dood bij coronariasclerose en dodelijke hersenbloeding bij latent
bestaand hersengezwel.
Ook acute infecties, die hetzij door foudroyant beloop hetzij
doordat zich een bepaalde verwikkeling heeft voorgedaan kunnen het
vermoeden van niet-natuurlijke dood doen ontstaan. Voorbeelden: acute
meningococcensepsis kan onder gastro-intestinale verschijnselen gepaard
gaan met collaps en (daardoor?) zonder temperatuurverhoging dodelijk
verlopen, de bulbaire vorm van poliomyelitis kan na kort durende vage
klachten een abrupt letaal einde veroorzaken door centrale
ademhalingsstilstand.
Het vermoeden van een niet-natuurlijke dood, waarbij meestal aan
vergiftiging wordt gedacht, geeft justitie nogal eens aanleiding een
zgn. gerechtelijke sectie te laten verrichten. De opmerking, dat het
door de arts (lijkschouwer) uitgesproken vermoeden van niet-natuurlijke
dood 'nogal eens' tot gerechtelijke sectie aanleiding geeft behoeft
toelichting. De wet schrijft niet voor dat in een dergelijk geval
sectie (gerechtelijk) moet worden gelast. Een en ander wordt aan het
beleid van de justitiële autoriteiten overgelaten, die daartoe
zullen besluiten indien daarvoor uit justitieel oogpunt aanleiding is.
Een onopgehelderde doodsoorzaak behoeft derhalve geen aanleiding tot
opdracht van gerechtelijke sectie te zijn, hoezeer zulks om
wetenschappelijke redenen en om redenen van medische statistiek ook van
betekenis zou zijn. Een (te goeder trouw) miskende niet-natuurlijke
doodsoorzaak (met name door vergiftiging) kan tot gevolg hebben (indien
bij justitie en politie niet aanstonds uit anderen hoofde vermoeden op
misdrijf is gerezen) dat dit (voorshands) onopgemerkt blijft. Rijst
later ernstige twijfel, dan kan opgraving van het stoffelijk overschot
worden gelast. De pathologisch-anatomische diagnostiek kan dan in
belangrijke mate zijn bemoeilijkt doordat de tekenen van ziekte en
geweld als gevolg van ontbinding kunnen zijn uitgewist. Ook de
toxicologische diagnostiek kan dan op moeilijkheden stuiten: vele
vergiften, vooral organische verbindingen (bijv. barbitalen) kunnen
dikwijls niet meer worden aangetoond; metalen (bijv. lood, kwik,
arsenicum, thallium) kunnen meestal wel worden teruggevonden. Soms
blijkt dat ook na obductie, histologisch onderzoek en eventueel
bacteriologisch en toxicologisch onderzoek geen doodsoorzaak
aanwijsbaar is (negatieve sectie).
Ten aanzien van verwondingen aan het lijk dient te worden
vastgesteld of deze tijdens het leven dan wel na de dood zijn ontstaan.
Postmortale letsels tonen -geen vitale kenmerken zoals
bloeduitstorting, bloeding in de weefsels, hyperemie en ontstekings-
respectievelijk wondgenezingsreacties. Het symptoom bloeduitstorting
kan tot diagnostische moeilijkheden aanleiding geven. Uit een post
mortem ontstane wond kan nl. bloed aflopen (na openen van een bloedvat
in een gebied met hypostase); infiltratie van bloed in de weefsels van
de wondranden kan dan niet worden aangetoond. Anderzijds kan na
intravitaal ontstane zware verbrijzeling (bijv. wanneer de benen zijn
afgereden, elk spoor van bloeding achterwege blijven; de bloedvaten
kunnen door afgescheurde en opgerolde intimadelen en/of door kramp zijn
afgesloten.
Worden als volgt onderscheiden: steekwonden en snijwonden,
verwondingen door stomp geweld; kneuzing, ontvelling, schaafwond,
scheurwond, fracturen, luxaties, schotwonden, brandwonden en
verwondingen door elektriciteit en bestraling (röntgen). Naar het
uitwendig waarneembare aspect zijn deze wonden veelal betrekkelijk
gemakkelijk te herkennen. Af en toe kan het moeilijk zijn een geslagen
scheurwond van een snijwond te onderscheiden; ook kan een (uitwendige)
schotwond, indien smal en langgerekt van vorm, aan een steekwond doen
denken. Het post mortem vaststellen van inwendige letsels kan, in het
bijzonder bij multipliciteit, moeilijk zijn. Na inwerking van stomp
geweld kunnen uitwendige letsels nagenoeg of geheel ontbreken terwijl
wel inwendige ernstige beschadigingen voorkomen (verkeersongevallen).
Direct: bloedverlies (in- of uitwendig), shock (primair, secundair),
vetembolie (pulmonale, cerebrale), luchtembolieën (pulmonale,
cerebrale), infectie (sepsis, tetanus) en (vaat)spasmen.
Indirect: aspiratie (bloed, slijm)pneumonieën, trombose en
embolieën, lower nephron syndroom en verergering van bestaande
aandoeningen. Elk van deze gevolgen kan de doodsoorzaak zijn. Bij
bloedverlies speelt behalve de hoeveelheid bloed die verloren gaat
vooral de snelheid waarmee dit geschiedt een grote rol. Bij
hemopericard, haemocephalus en extraduraal hematoom kunnen betrekkelijk
kleine hoeveelheden bloed de dood veroorzaken.
Deze vindt plaats door omsnoering (ophanging, strangulatie) of
dichtknijpen (wurging) van de hals, bedekken van neus en mond, bijv.
bij bedelving (waardoor de ademhalingsbewegingen van de borstkas
onmogelijk worden) en na verslikken (corpus alienum in de luchtpijp).
Verdrinking gaat eveneens gepaard met verstikking. Plotselinge
krachtige omsnoering van de hals kan met shockverschijnselen gepaard
gaan (sinus-caroticusreflex, laryngeale reflex, dood neervallen
na een stoot tegen de larynx; kan ook bij ophanging worden verwacht.
Shock door de koudeprikkel van het water kan bij 'verdrinking'
voorkomen. Omsnoering van de hals geeft een zgn. snoerband of -groeve:
roodbruine droge verharding van de gecomprimeerde huiddelen, welke
afwijking vooral enkele uren later duidelijk kan worden waargenomen.
Bij wurging (dichtknijpen van de hals) kunnen huidletsels door druk van
vingernagels ontstaan. Met carotisdood wordt bedoeld dat door
betrekkelijk lichte druk op de hals dood kan intreden, klaarblijkelijk
door verhoogde reflexprikkelbaarheid: acute hartstilstand
(medisch-forensisch van grote betekenis). De sporen nagelaten door
inwerking van geweld op de hals, kunnen zeer gering zich en zijn soms
ternauwernood zichtbaar. Wanneer de lijkschouwer op de eventualiteit
van zulke halsletsels niet is voorbereid kunnen zij zelfs aan zijn
waarneming ontsnappen. Anderzijds bestaat het gevaar dat ogenschijnlijk
soortgelijke geringe veranderingen ten onrechte (opzettelijke)
geweldpleging doen vermoeden. Overeenkomstige moeilijkheden kunnen ook
de interne afwijkingen opleveren. Gewelddadige verstikking door
bedekking van de toevoerende luchtwegen (neus en mond) behoeft geen
sporen na te laten; de longen kunnen dan veranderingen tonen zoals deze
door extreme ademnood kunnen ontstaan. Zonder aanvullende gegevens
(eventuele bekentenis) kan de rechter geen bewijs van deze vorm van
gewelddadige verstikking construeren.
De diagnose van vergiftiging behelst het vaststellen van het
ziektebeeld: anamnese, klinische bevindingen, pathologisch-anatomische
afwijkingen, opsporing van het vergif in urine, maaginhoud, faeces,
haren (arsenicum), organen en lichaamsvochten. Kwantitatieve gegevens
zijn hierbij van grote betekenis: indien bijv. bij acute (letale)
gastro-enteritis in de maaginhoud betrekkelijk grote hoeveelheden van
een arsenicum verbinding worden gevonden terwijl tevens in de
hoofdharen een duidelijk verhoogd gehalte aan arsenicum bestaat kan dit
betekenen dat voor deze acute vergiftiging reeds eerder arsenicum in
het lichaam was gekomen. Indien de patiënt de acute vergiftiging
betrekkelijk geruime tijd overleeft doch ten slotte aan de gevolgen van
door het vergif ontstane orgaanbeschadiging overlijdt, kan de
toxicologische analyse een vrijwel negatief of geheel negatief
resultaat opleveren doordat het vergif is uitgescheiden of is omgezet
in onkarakteristieke verbindingen. Het vaststellen van vergiftiging
behoort daarom zowel op de waardering van de uitkomsten van het
geneeskundig als van die van het toxicologisch onderzoek te berusten en
niet op een van beide afzonderlijk. Het aantal bekende vergiften is
legio en neemt door de industriële activiteit nog dagelijks toe.
Accidentele vergiftigingen door de vele giftige stoffen uit de
dagelijkse praktijk kunnen uiteraard ook worden verwacht. Bij
suïcide en bij gifmoord blijkt de reeks van toegepaste vergiften
betrek beperkt te zijn: nogal bekend geworden zijn arsenicum, fosfor,
cyaankalium en thallium; menigmaal worden ook organische
fosforverbindingen (bijv. parathion) gebruikt. Vergiftiging door
medicamenten (bijv. slaapmiddelen) kan accidenteel zijn.
Koolmonoxidevergiftiging komt voor als gevolg van onvolledige
verbranding van aardgas (defecte gasgeisers) en als suïcide door
het inademen van de uitlaatgassen van een auto (in gesloten garage).